Op deze stoel
SINGLE-COVER
actievedorpen.nl
model / vormgeving
Overlanders – Als dit de ruis is
In november 2012 bouwden Jeroen van Kemenade, Tim Klein Haneveld, Leli Vero, Mark Versteegen en Jabik de Vries een geluidsstudio op.
Ze hadden besloten zich daar vier dagen op te sluiten om tot iets moois te komen. Nog niet eerder hadden ze in deze samenstelling muziek gemaakt, bovendien organiseerden ze een pool van muzikanten die stand-by waren en langs konden komen wanneer ze gebeld werden. Er lagen geen songs klaar of half-klaar om gespeeld te worden, het enige houvast was een vertelling van Jabik de Vries.
Na de vier lange dagen lagen er opnames die een spannende mengeling waren van afgeronde liederen en sferische stukken waarvoor gebruik was gemaakt van verschillende akoestische en elektronische instrumenten, binnengeluiden door het hele gebouw en buitengeluiden. Klaar was het niet, maar de moeite waard om af te maken. Dat gebeurde in de loop van de tijd, in verschillende samenstellingen in verschillende studio’s.
Het resultaat is een stuk van drieënveertig minuten met als titel ‘Als dit de ruis is’.
Wat blijft er nog? vraagt het jongetje zich af. Hij ligt op een warme zomeravond in zijn bed, het gordijn is dicht, het raam is open en hij luistert tussen waken en slapen naar de wereld buiten zijn slaapkamer. Hij luistert zo goed dat hij steeds meer gaat horen, van steeds verder weg, tot hij zelfs geluiden hoort die hij niet kent omdat ze van plekken komen waar hij nog nooit geweest is, maar waar hij naartoe genomen lijkt te worden.
Als dit de ruis is
IJsburg
Funkenmaster
Een muzikale vertelling
Vanavond scharen we ons rond de FUNKENMASTER.
Tim Klein Haneveld, Hans Veldhuizen en Jabik de Vries surfen over de bandbreedte van hun geheugen.
De wijzer van de FUNKENMASTER schuift langs hun geboorteplaatsen, langs Zwitserland, Utrecht, Hamburg en Hilversum.
Verhalen over muziek, sport, religie en helden doemen uit de ether op.
De drie mannen vertellen, ze spelen liederen uit vooral eigen repertoire, het publiek belt in, en natuurlijk is er een radiospel.
Stem af, and don’t touch your dial, folks!
Wachtland
Wachtland
tekst | Louis Stiller & Jabik de Vries
fotografie | Jabik de Vries
verschenen | april 2010
uitgeverij | Album, Amsterdam
Wat gebeurt er als je als fotograaf ’s nachts door de woeste leegten van een bouweiland wandelt? Om je heen doemen de vage contouren op van een stadswijk die nog moet komen: zandheuvels, steigers en dampend beton. Wat zoek je daar in die oorverdovende stilte? Dan ontmoet je een nachtwaker, de enige andere mens die hier ronddwaalt.Hij waakt, jij wacht. Op het klikje van de sluiter. Er ontspinnen zich gesprekken. Over de nacht en het bouwen, de stad en het land, hekken en sleutels. Totdat er iets gebeurt.
Jabik de Vries wandelde drie jaar lang vele nachten over het wordende IJburg – regelmatig begeleid door schrijver Louis Stiller. Met 107 foto’s en een lang verhalend essay schetsen ze in Wachtland de wording van de woonwijk waar ’s nachts inmiddels bijna vijftienduizend mensen slapen. Maar meer nog dan een bouwgeschiedenis vormt Wachtland een prikkelende beschouwing – over nacht en dag, leegte en
volheid, stad en land, waken en wachten. ‘Ik ben dit gebied begonnen, denk ik wel eens als ik meegesleept word door de duisternis en de stilte. Ik was een geheime kwartiermaker. Wij zijn de stad. U en ik.’
Alles nieuw
verschenen | juni 2012
uitgeverij | Kok Utrecht
omslag | Joost Verhaak
‘Ze vouwde haar handen en sloot haar ogen. Ik vouwde mijn handen ook. Mijn moeders hoofd ging een beetje op en neer, alsof ze haar blik zoekend over een papier liet gaan. Ik vroeg me af wat ze bad. Misschien herhaalde ze het gebed dat mijn vader aan tafel altijd deed. Niet omdat we het verdiend hebben, maar uit genade, Heer.’
Zijn fysiek aftakelende en dementerende moeder dwingt de hoofdpersoon zijn eigen geestelijk logboek op te stellen. Het wordt een verhaal van onthechting en afscheid nemen. Niet alleen van zijn moeder, maar ook van zijn geboorteplek en de God van zijn jeugd. Met pijn in het hart.
4hetleven.nl
concept / vormgeving / html-css
Overlanders
Het Kleine Requiem
2 november
” … En toch, toen ik naast mijn opa stond en keek hoe zijn vlezige hand het mes met veel boter over het beschuit liet raspen, zei iets zonder woorden me dat ik moest onthouden wat ik zag en dat ik moest zien om te onthouden. In de tuin kreunde een kip en mijn opa haalde het mes langs zijn uitgestoken tong. “
Een poëtisch vlechtwerk van gesproken en gezongen woord.
Liederen van Jacques Brel, Sandy Denny, Gabriel Faurré en Georg Friedrich Händel.
piano | Hans Veldhuizen
zang | Anthony Heidweiller
tekst & verteller | Jabik de Vries
Triptiekje
Zoontje J. zegt de laatste tijd opvallend vaak dat ik alles weet. Hij is 10. Ik dacht dat ook van mijn vader, maar weet niet goed meer wanneer ik van mijn geloof viel.
Mijn vader zei weer regelmatig dat Cruijff alles beter wist.
Ik leerde dat dat een uitdrukking was.
Als je zoiets opmerkte dan wist je meer dan degene die alles beter weet, meende ik.
Boven deze verwarrende zoektocht hing bij ons thuis iets dat altijd hoger was. Dat hield mijn gedachten een beetje bij elkaar.
Terwijl voor de Westerkerk in de kou sta, in afwachting van de Johannes Passion, dood ik de tijd met het aanmaken van dit stukje.
Ik maak een triptiek, bedenk ik: in mijn facebook-tijdlijn zoek ik naar de tekening die mijn vader in 1974 van Cruijff maakte.
In mijn jeugd speelde zich een jongensjarenlange wedstrijd wie-het-beter-weet af tussen de grote 3: God, mijn vader en Cruijff.
Nu ze er alledrie niet meer zijn kan ik aan mijn zoontje J. slechts zeggen dat je van alles kunt weten maar weinig kunt begrijpen. Maar ik weet ook dat zoiets weer ontzettend wijs klinkt. Triptiekje klaar. Timpaantje erop: Nescio. Het is koud.
Oewai!
Een leuke show
Een show over het schrijven van een boek.
Met gesproken en gelezen woord, muziek, de wielerkwis en zomerhits.
Over een shirt dat niet zo mooi blijkt te zijn
Dik dertien jaar geleden kocht ik een shirt.
Omdat ik geen zin had mezelf af te pellen in een stoffige kleedkamer, gokte ik de maat. Het was maar een shirt, het kwam zo precies niet.
Toen ik het ’s avonds thuis probeerde bleek het te klein. Eigen pech en schuld gehad. Moest ik nu terug naar zo’n winkel en had ik bonnetje nog en kreeg ik dan een tegoedbon?
Wat sullig stond ik met het te korte shirt aan in de woonkamer. In een hoek stond de box met daarin zoontje P in een spartelpakje.
Hij was een soort huisdiertje waarvan je je niet voor kon stellen dat hij langer dan een meter zou worden, dat zijn pink zo lang zou worden als zijn voet nu. Toch, als ik goed nadacht wist ik dat de tijd ook door de spijlen van deze box glippen kon.
Ik legde het shirt onder in de kledingkast.
Zo nu en dan, bij opruimen van kasten, dook het shirt weer op. Bij verhuizingen ging het in de zakken mee. Ik vouwde het soms opnieuw op. Daarna vergat ik weer en werd het herfst, of zomer, of kerst, en werd Pim Fortuyn vermoord, of scoorde Robin van Persie tegen Spanje.
Een paar weken geleden dook het weer op. Vanochtend was het zover. Ik gaf P het shirt en zei: pas eens.
Verbaasd trok hij zijn slaaphemd uit en trok het shirt aan.
Het was zover, het shirt pastte, het kind ook.
Ik vertelde hoe het tot vanochtend gekomen was.
P zei: ik vind het niet zo’n mooi shirt.
halloijburg.nl
In 2012 begonnen Michel Vogler en Jabik de Vries aan het bouwen van Hallo IJburg. In de loop van de tijd groeide de functionaliteit, volgens een organisch model.
Inmiddels vormt het ook het basismodel voor het platform dat de coörporatie Gebiedonline biedt aan rond 50 netwerkorganisaties door het hele land.
Boerderij op IJburg
Nog een goed gesprek
Mijn rekje zit aan het voorwiel vast. Jouw rekje niet, zegt hij. Waarom?
Dit is handig, antwoord ik. Alleen het voorwiel gaat heen en weer. Als jij voorop het rek zit dan slinger je niet naar links en rechts door de bocht. Je zit dus altijd recht voor me. Zo houd je mij uit de wind. Dat fietst lichter.
Maar ik ben zwaarder.
Toen je kleiner was en je op het zadeltje op de stang zat, dook ik achter je als het sneeuwde. Jij werd dan helemaal wit en als we afstapten, zat er een donkere plek op mijn borst, buik en bovenbenen. Dat was jij.
Grappig, zegt hij… Maar is het fijn, dat rek zo?
Het is een groot succes. Zoals eigenlijk mijn hele leven.
Is dat zo?
Ja.
Heb je nooit pech?
Alleen maar heel veel onpech.
Wat is dat?
Het tegengestelde van pech.
O.
Pech is als je er niks aan kunt doen, zeg ik.
Ja… Onpech, dat is dat je er wel iets aan kunt doen?
Of onpech is mazzel. Kun je ook niks aan doen, maar dan dat het geen pech is.
We gaan linksaf de brug op. Hij houdt de klep van zijn baseballpet vast.
Succes, daar doe je wat aan, zeg ik.
En jouw leven is een succes, zegt hij.
Ik lach. Mijn leven is alleen een succes als ik mazzel heb.
Dan moet je er iets aan doen.
Of niet. Ach. De sneeuw kun je van je kleren afslaan, de donkere vlek die jij op mijn kleren was, die kon ik niet van me afslaan. Niks aan te doen.
Ik wil ook zo’n rekje.
Dat kan ik me voorstellen. Het is veel stabieler.
Jij bent toch wel eens gevallen?
Jawel.
En je hebt wel zo’n rekje.
Heel dikke pech.
Ja… Hoe schrijf je pech?
Pee-ee-see-haa.
Gek.
Dit had ik moeten schrijven
Er is een stukje dat ik had moeten schrijven. Dat stukje is er dus niet. En toch. Ik schreef het in mijn hoofd. Soms gebeurt dat. Je staat ergens, er zijn dingen om je heen, niet dat er iets gebeurt, en in het hoofd begint een typemachine een stukje te schrijven. Soms pak ik dan mijn telefoontoestel en schrijven mijn vingers mee. Soms ook niet. Dat is niet erg, maar het blijft me dwars zitten dat ik het laatst niet deed. Zo is er dus een stukje dat ik had moeten schrijven.
Het was eind februari en het ging zo:
Van winterklaar maken heb ik nooit iets begrepen. Het kan komen doordat ik weinig van tuinieren weet, maar ik denk dat het vooral komt omdat ik geen afmaker ben.
Ik sta in de tuin en gooi de resten van het vorige groeiseizoen op een hoop. Het is geen afmaken, maar het is beginnen.
Niet dat het vanmiddag al voorjaar is, nee, vanmiddag wordt het voorjaar. Als longen die leeggezucht zijn, net voor een nieuwe ademhaling. Het moment dat er een zwaan aan het oude riet begint te trekken. De zwaan is nog bruinig, die heeft net zijn eerste winter gehad en het viel wel mee, maar toch fijn dat het zo’n middag is. Met een soort sabbelen zoekt de snavel vastigheid aan het riet en dan doet de hals een vinnige ruk. Het klinkt een beetje zoals het losrukken van de brandnetels die nu achter me op de hoop liggen.
Ik ga op het bankje zitten, vlak bij het riet, de zwaan gaat onverstoorbaar door. Kijk, zeg ik tegen zoon P die de tuin in komt lopen, deze waaide hier vorig jaar als kuiken langs. P draait zich zwijgend om, en dat hoort erbij.
De zwaan sabbelt en scheurt door. In hem lijkt een drift zonder haast. Ja, het is hetzelfde als in mij. Het is niet dat het voorjaar is, maar dat het voorjaar wordt. Er komen er ieder jaar maar een paar middagen van, meestal zijn het zelfs maar halve middagen, soms is het maar een uur, dat de kille wind rimpels op het water blaast en de lage zon er een blauwe gloed op legt nadat de winter het maanden had laten roesten, en ergens anders begint het lange maar doodse gras te bewegen en te glanzen. Een scholekster roept iets.
Ik zou mee willen schrijven, maar het is er te kort voor. Juist de dingen waarin geen en-toen en-toen is, kosten de meeste woorden. En juist daarom wil ik nadien dat ik meegeschreven had.
Ja, zo gaat het.
En nu is het al april en ik weet niet wat zich nu aan gaat dienen waarvoor het nog te vroeg is en wat te kort is om mee te schrijven. We moeten deze dingen maar zien en ze onthouden.
Een goed gesprek
Bij de foto:
Onder de rechter maan wordt huiswerk Grieks gemaakt, in het schijnsel van de linker maan wordt de Donald Duck gelezen.
Onder de rechter maan vraag ik of het goed gaat. Dat gaat het.
Dan klinkt vanuit de halo links: ik begrijp niet hoe de mensen begonnen te praten.
Ik probeer door mijn spiegelbeeld heen uit het raam te kijken, het is vijf uur en de wereld is zo zwart dat er niets in kan zijn. Hooguit het woord, denk ik.
Waarschijnlijk begrepen mensen dat ze elkaar nodig hadden, zeg ik langzaam. Dan moet je elkaar begrijpen.
Was het eerste woord ‘ik’?
Omdat ‘ik’ het belangrijkste is? En je eerst aan jezelf denkt?
Het is het kortst, zegt hij.
Aan de overkant wordt een lamp aan gedaan. Meteen ligt er op het water een rimpelloze spiegeling van, die het zwart peilt.
… En daarna werden de woorden langer?
Ja.
Zo kun je aan de lengte van het woord de leeftijd ervan schatten, peins ik.
De mensen worden toch ook steeds langer.
Ik knik, denk even aan de bosnimf Echo, aan de andere kant van de muur.
Gesprekken worden dan ook steeds langer, zeg ik.
Hij komt naast me staan, we staren naar buiten. Hij heeft zijn pyjama al aan gedaan.
Steeds langer. Tot er nooit meer een eind aan komt, als de woorden langer dan de tijd zijn geworden.
In de spiegeling van het raam zie ik aan een kleine beweging van zijn hoofd dat hij naar zichzelf kijkt, ook zie ik de vooruitstekende losse tand. Hij zegt niks terug, maar ik hoor zijn adem van het glas terugkaatsen. Een eend verbrijzelt de spiegeling van de lamp tot honderd maantjes.
Dat stille, dat vroege donker van de wintermiddag, zeg ik dan. Alsof we nergens meer bij horen.
Ja, we moeten hard roepen.
Ik zou nu niet weten of dat dan een kort woord is of dat we al aan een lang woord toe zijn.
Of middelmatig, zegt hij.
Of middelmatig, ja. Daar zullen we nu zo ongeveer wel zijn. Onze woorden zijn nog niet langer dan de tijd.
