Categorie archieven: korte stukjes

Triptiekje

Zoontje J. zegt de laatste tijd opvallend vaak dat ik alles weet. Hij is 10. Ik dacht dat ook van mijn vader, maar weet niet goed meer wanneer ik van mijn geloof viel.
Mijn vader zei weer regelmatig dat Cruijff alles beter wist.
Ik leerde dat dat een uitdrukking was.
Als je zoiets opmerkte dan wist je meer dan degene die alles beter weet, meende ik.
Boven deze verwarrende zoektocht hing bij ons thuis iets dat altijd hoger was. Dat hield mijn gedachten een beetje bij elkaar.
Terwijl voor de Westerkerk in de kou sta, in afwachting van de Johannes Passion, dood ik de tijd met het aanmaken van dit stukje.
Ik maak een triptiek, bedenk ik: in mijn facebook-tijdlijn zoek ik naar de tekening die mijn vader in 1974 van Cruijff maakte.
In mijn jeugd speelde zich een jongensjarenlange wedstrijd wie-het-beter-weet af tussen de grote 3: God, mijn vader en Cruijff.
Nu ze er alledrie niet meer zijn kan ik aan mijn zoontje J. slechts zeggen dat je van alles kunt weten maar weinig kunt begrijpen. Maar ik weet ook dat zoiets weer ontzettend wijs klinkt. Triptiekje klaar. Timpaantje erop: Nescio. Het is koud.

Over een shirt dat niet zo mooi blijkt te zijn

Dik dertien jaar geleden kocht ik een shirt.
Omdat ik geen zin had mezelf af te pellen in een stoffige kleedkamer, gokte ik de maat. Het was maar een shirt, het kwam zo precies niet.
Toen ik het ’s avonds thuis probeerde bleek het te klein. Eigen pech en schuld gehad. Moest ik nu terug naar zo’n winkel en had ik bonnetje nog en kreeg ik dan een tegoedbon?
Wat sullig stond ik met het te korte shirt aan in de woonkamer. In een hoek stond de box met daarin zoontje P in een spartelpakje.
Hij was een soort huisdiertje waarvan je je niet voor kon stellen dat hij langer dan een meter zou worden, dat zijn pink zo lang zou worden als zijn voet nu. Toch, als ik goed nadacht wist ik dat de tijd ook door de spijlen van deze box glippen kon.
Ik legde het shirt onder in de kledingkast.
Zo nu en dan, bij opruimen van kasten, dook het shirt weer op. Bij verhuizingen ging het in de zakken mee. Ik vouwde het soms opnieuw op. Daarna vergat ik weer en werd het herfst, of zomer, of kerst, en werd Pim Fortuyn vermoord, of scoorde Robin van Persie tegen Spanje.
Een paar weken geleden dook het weer op. Vanochtend was het zover. Ik gaf P het shirt en zei: pas eens.
Verbaasd trok hij zijn slaaphemd uit en trok het shirt aan.
Het was zover, het shirt pastte, het kind ook.
Ik vertelde hoe het tot vanochtend gekomen was.
P zei: ik vind het niet zo’n mooi shirt.

Nog een goed gesprek

Mijn rekje zit aan het voorwiel vast. Jouw rekje niet, zegt hij. Waarom?
Dit is handig, antwoord ik. Alleen het voorwiel gaat heen en weer. Als jij voorop het rek zit dan slinger je niet naar links en rechts door de bocht. Je zit dus altijd recht voor me. Zo houd je mij uit de wind. Dat fietst lichter.
Maar ik ben zwaarder.
Toen je kleiner was en je op het zadeltje op de stang zat, dook ik achter je als het sneeuwde. Jij werd dan helemaal wit en als we afstapten, zat er een donkere plek op mijn borst, buik en bovenbenen. Dat was jij.
Grappig, zegt hij… Maar is het fijn, dat rek zo?
Het is een groot succes. Zoals eigenlijk mijn hele leven.
Is dat zo?
Ja.
Heb je nooit pech?
Alleen maar heel veel onpech.
Wat is dat?
Het tegengestelde van pech.
O.
Pech is als je er niks aan kunt doen, zeg ik.
Ja… Onpech, dat is dat je er wel iets aan kunt doen?
Of onpech is mazzel. Kun je ook niks aan doen, maar dan dat het geen pech is.
We gaan linksaf de brug op. Hij houdt de klep van zijn baseballpet vast.
Succes, daar doe je wat aan, zeg ik.
En jouw leven is een succes, zegt hij.
Ik lach. Mijn leven is alleen een succes als ik mazzel heb.
Dan moet je er iets aan doen.
Of niet. Ach. De sneeuw kun je van je kleren afslaan, de donkere vlek die jij op mijn kleren was, die kon ik niet van me afslaan. Niks aan te doen.
Ik wil ook zo’n rekje.
Dat kan ik me voorstellen. Het is veel stabieler.
Jij bent toch wel eens gevallen?
Jawel.
En je hebt wel zo’n rekje.
Heel dikke pech.
Ja… Hoe schrijf je pech?
Pee-ee-see-haa.
Gek.

Een goed gesprek

Bij de foto:

Onder de rechter maan wordt huiswerk Grieks gemaakt, in het schijnsel van de linker maan wordt de Donald Duck gelezen.
Onder de rechter maan vraag ik of het goed gaat. Dat gaat het.
Dan klinkt vanuit de halo links: ik begrijp niet hoe de mensen begonnen te praten.
Ik probeer door mijn spiegelbeeld heen uit het raam te kijken, het is vijf uur en de wereld is zo zwart dat er niets in kan zijn. Hooguit het woord, denk ik.
Waarschijnlijk begrepen mensen dat ze elkaar nodig hadden, zeg ik langzaam. Dan moet je elkaar begrijpen.
Was het eerste woord ‘ik’?
Omdat ‘ik’ het belangrijkste is? En je eerst aan jezelf denkt?
Het is het kortst, zegt hij.
Aan de overkant wordt een lamp aan gedaan. Meteen ligt er op het water een rimpelloze spiegeling van, die het zwart peilt.
… En daarna werden de woorden langer?
Ja.
Zo kun je aan de lengte van het woord de leeftijd ervan schatten, peins ik.
De mensen worden toch ook steeds langer.
Ik knik, denk even aan de bosnimf Echo, aan de andere kant van de muur.
Gesprekken worden dan ook steeds langer, zeg ik.
Hij komt naast me staan, we staren naar buiten. Hij heeft zijn pyjama al aan gedaan.
Steeds langer. Tot er nooit meer een eind aan komt, als de woorden langer dan de tijd zijn geworden.
In de spiegeling van het raam zie ik aan een kleine beweging van zijn hoofd dat hij naar zichzelf kijkt, ook zie ik de vooruitstekende losse tand. Hij zegt niks terug, maar ik hoor zijn adem van het glas terugkaatsen. Een eend verbrijzelt de spiegeling van de lamp tot honderd maantjes.
Dat stille, dat vroege donker van de wintermiddag, zeg ik dan. Alsof we nergens meer bij horen.
Ja, we moeten hard roepen.
Ik zou nu niet weten of dat dan een kort woord is of dat we al aan een lang woord toe zijn.
Of middelmatig, zegt hij.
Of middelmatig, ja. Daar zullen we nu zo ongeveer wel zijn. Onze woorden zijn nog niet langer dan de tijd.

Een schitterende dag

Het was een schitterende dag. Niet dat iedereen de hele dag lachte, of zelfs maar glimlachte, en in het dorp Middelie liep een zware hond met aan zijn achterpoot grote gezwellen waarvan de helft bloedde. Veel was dus normaal, maar het licht schitterde. Aan de berken blikkerde bladgoud, in de bermen lag goud en goud waaide over wegen.
Ik kwam aan het meer, ook het riet was goud, en het water kleurde koperroest.
Ik moest aan vroeger denken. Ik denk ook wel eens aan later, maar makkelijker vind ik het te denken aan de tijd dat ik nog leefde. Alles om heen had dezelfde kleuren als wanneer we vroeger de laatste tocht met de boot maakten, om die op de wal te trekken.
Een zee van bij elkaar gekomen meerkoeten lag op het water. Zoveel dat de wind ertussen geen rimpeling meer maken kon. De zwarte vogels weerspiegelden in het water waarmee ze zich voor het laatst in het seizoen vermenigvuldigden.
Als de boot eenmaal op de wal lag en het al ging schemeren, werden boven ons de spreeuwen magnetisch. Zwijgend luisterden we naar de momenten dat 11002 spreeuwen opeens omkeerden en 22004 vleugels prfft deden.
Ergens was een houtkachel aangestoken.
Het licht verdween en ik dacht dat de schittering nooit meer te zien zou zijn.
35 jaar later is die er nog steeds. Maar over 2 weken, wanneer de bladeren geen kleur meer hebben, zal die er niet meer zijn. Zelfs al lacht iedereen dan de hele dag en is de hond in Middelie genezen.
Pas over een jaar weer, en ook over 35 jaar weer, wanneer er boten op de wal getrokken worden en meerkoeten zich verzamelen.
Eigenlijk is aan later denken helemaal zo moeilijk niet.

Hoe mijn moeder tussendoor een Elfstedentochtwinnaar maakte

Mijn moeder had een werkzaam bestaan.
In de laatste jaren voordat ze trouwde met de man die mijn vader zou worden, werkte ze “op kantoor” twee dorpen verderop.
Dat dorp groeide onstuimig door de komst van een scheerapparatenfabrikant. Het was pakweg 15 kilometer fietsen. Ze deed dat zes ochtenden in de week, op zondag niet.
Als ze ’s avonds thuiskwam, zorgde ze voor de mensen die later mijn opa en oma bleken te zijn. Ze hadden een zwakke gezondheid. Als oudste inwonende dochter kookte mijn moeder, deed de was – met de hand- , het stof, de tuin en noem maar op.
’s Ochtends om 7 uur stapte ze dan weer op de fiets, op weg naar kantoor.
Vanaf de kant van het veendorp Tijnje doemde er in de winterse duisternis dan een fietslichtje op.
Mijn moeder draaide de altijd verzakte Swynswei op en samen met de man van wie het fietslichtje was, fietste ze naar het kantoor in het dorp waar de scheerapparatenfabriek stond. Hij was daar onderwijzer, geloof ik.
Ze hadden de vaart erin. Mijn moeder had haast, zij moest die dag nog zoveel doen.
In 1954 won die man De Elfstedentocht. Zijn benen waren ijzersterk, zijn kuiten gehard doordat hij ’s ochtends mijn moeder bij probeerde te houden, die haast had, ze moest nog zoveel doen.
Mijn moeder is al 6 jaar dood. Ze wist weinig meer, maar een van de dingen die ze nog kon vertellen was dat ze zoveel te doen had en zes ochtenden in de week op de fiets stapte.
Gisteren overleed die man.
In de verhalen over hem ben ik nergens tegengekomen hoe het allemaal zo gekomen is: die overwinning op De Bonkefeart van Jeen van den Berg.
Zo dus.
Dag mem.

Koorts

Ondanks dat hij niks zegt, word ik wakker. Hij staat naast me.
Ik voel ineens de koude klamheid van de septembernacht, die lijkt op de koude koorts die ik een paar nachten had.
Ik moet kotsen, zegt hij.
Het doet me overeind schieten. Kom maar snel.
Ik heb het al gedaan, in bed.
In zijn kamertje haal ik het beddengoed af, hij zakt neer op het dekbed dat op de vloer ligt. Ik haal een bak, zet die op bed en hij gaat liggen.
Meteen komt hij weer overeind, gaat op zijn knieën zitten en hangt zijn hoofd boven de bak.
Mijn hand gaat zacht over zijn rug die hard als een schildpad voelt, zijn maag pompt met de trage kracht van een zwemmende kwal.
Als hij weer gaat liggen, kijkt hij glazig de gele schemer van zijn kamertje in.
Ik zou het cool vinden als er nog een planeet wordt ontdekt, zegt hij lodderig.
Heel verre sterren, daar zien ze er steeds meer van. Oude sterren.
… Heeft Pluto de vorm van een snuit?
De planeet was er eerder dan de Donald Duck, zeg ik.
Mijn hand gaat door zijn haar, zijn oogleden zakken.
Het proeft heel zuur, zegt hij.
Dat komt uit het diepst van je.
Ik trek de deken tot onder zijn kin, en als ik zie hoe klein zijn hoofd wordt, voel ik die rare pompende kracht weer die het plafond van mijn slaapkamer op en neer deed deinen, en die de sloot waar ik ’s middags nog was, en de weg naar school en ons huis tot achter de tijd en haar manen opblies, en daarna in me samenperste, waar het zuur was.
Zijn ogen zijn dicht gegleden.
Ja, die pompende kracht, dat je jezelf ziet liggen. Toen en nu, en daar en hier, in de vale duisternis van een klamme septembernacht met een lampje aan. Het enige lampje in de wereld zonder wind.

Een vlinder op de vloer

Er ligt een vlinder op de vloer. Niet ver van de openstaande deur. Hij kwam de kamer ingedwarreld en viel dood neer. Ik was er niet bij. Niemand. Alleen de vlinder, en de dood. Ja die was er ook bij.
Het was een mooi voorjaar, toen werd de zomer nog mooier en daarna werd het slecht. Nu is het nazomer en valt de vlinder neer. Jammer.
De schemerwind strijkt over de vloer. Ik schrik, de vlinder lijkt op te fladderen, maar hij slaat alleen om, als een bladzijde van een boek dat open ligt in een tuin. De vlinder slaat weer om.
De wind bladert heen en weer, van zomer naar herfst, terug naar de zomer. Van dag naar nacht. Naar dag. Heen en weer van leven naar dood, en terug naar leven.
Het is zo’n avond waarop de wind gaat liggen. We zullen zien. September, altijd mooi. Een beetje dromerig bladeren.

Ik of het beest

5 jaar geleden plantte ik een pruimenboom in de tuin. Ik had er zin in.
De boom groeide vervolgens wel maar bloeide niet.
Eerste seizoen, dacht ik, het leek me niet gek.
Het jaar daarop groeide er meer blad, en meer tak, verder niet.
Te koud, mompelde ik, of: slechte grond, teveel zand.
In de derde mei van de boom verscheen er bloesem, daarna kwamen er kleine gele puntjes, maar die stierven af.
Ik mompelde dat er teveel noordooster wind was geweest.
Vorig jaar mei was er een vrolijke bloesembui in de kruin, maar ook toen stierven de gele larfjes van de pruimen meteen af en ik zuchtte dat ook niets lukte.
Achteloos zag ik dit voorjaar de bloesem wegwaaien, maar een paar weken later ontwaarde ik opeens een vruchtje! Bijna iedere keer wanneer ik de boom passeerde, keek ik hoe het toch met de pruim ging. Het ging hem goed, pront, schitterend groen fluweel en al groter dan een druif.
Enkele weken later zag ik nog een pruim! Twee pruimen! Wat een voorjaar.
De eerste pruim werd in omvang ingehaald door de andere.
Het werd droog. Bijna dagelijks goot ik liters water onder de boom.
Van de tweede pruim haalde ik regelmatig hetzelfde beestje af. Het was zwart met gele stippen, het kleefde een beetje aan de vrucht maar liet los zonder dat ik het dood moest knijpen.
Twee dagen later haalde ik het er weer af, precies op dezelfde plek, en dan weer.
Langzaamaan kwam er een zwart vlekje op de mooie groene pruim. Ik werd bang voor de dag dat de huid van de pruim zo zacht was geworden dat het beestje er zijn kaakjes in kon zetten. Dat beestje moest weg, slechts twee pruimen maken je een gierig mens.
Net liep ik langs de boom en merkte op dat de eerste pruim geel en rood begon te worden. Maar zag ik het goed? Was die nou zo droog? Ik duwde mijn hand tussen de takken, en pakte tussen duim en wijsvinger de vrucht vast. Het stokje liet los, ik had het vruchtje in de hand.
Eén pruim nog, voor het zwarte beest met de gele stippen en mij. Wie van ons weet het juiste moment te vinden, op een mooie zomerdag?

Maar mag ik er nu dan langs?

Zijn roerloze schaduw valt op het verse, glimmende asfalt. Middenin de nacht; ik vraag me af waar de glans en de schaduw vandaan komen.
Het is een wonderlijk tafereel, ik rem ervoor af. Ook wanneer ik tot vlakbij hem gerold ben, beweegt de reiger niet. De kop schuin omhoog op de gestrekte hals, de snavel priemend in de duistere overspanning boven ons. Ik zie alleen zijn oog onrustig heen en weer gaan.
Ga je niet opzij, vraag ik zonder vraagteken.
Jij blijft toch staan, antwoordt de reiger. Zolang je niet over me heen fietst.
Dat is zo. Ik wilde even naar je kijken. Ik moest even denken aan de eerste verkeerszuil in ons dorp. Zo’n eigele, met een donkerblauwe cirkel, daarin een witte pijl rechts naar beneden, weet je wel?
De reiger reageert niet.
Een lampje in het blauwe vlak… Ik vond het een prachtige zuil en verbaasde me erover dat iemand ons dorp er rijp voor achtte. Ook op nieuw asfalt.
Je ziet ze nog wel eens, zegt de reiger kortaf.
Toch raar dat ik daaraan denk, mijmer ik.
Ik sta immers ook midden op de weg, zegt hij en het klinkt alsof hij zijn schouders erbij ophaalt.
Natuurlijk, maar misschien denk ik ook wel aan die eerste zuil omdat we ons destijds ook verwonderden over een reiger. De sloten lagen toen vol fosfaten.
Dat is voorbij, hè, zegt de reiger.
We wassen zonder fosfaten, knik ik.
Die verwondering, bedoel ik natuurlijk, bitst de reiger.
O, ja, zeker, zeg ik traag… Hoe is het voor jullie dat we onderhand een hekel aan jullie hebben?
Zullen we maar zeggen dat het niet alleen van jullie kant komt?
Het is wat veel, zeg ik.
We zorgen voor onszelf.
… Een jaar of tien geleden had ik een buurvrouw die tweemaal daags vanaf tweehoog eendagskuikens op het dak van de schuur gooide. Pets, pets, pets, in de plassen die op het dakleer lagen. Die reiger, jouw neef, zeg maar, kwam soms niet eens meer de lucht in, als een overladen Toepolev. Ieder kuiken in één klok naar binnen, je zag ze door die lange hals glijden.
Waar is dat? vraagt hij.
Dat zeg ik niet… Die vrouw is trouwens ook al dood, denk ik.
Jammer.
Even zwijgen we. Een donker brommen vertelt dat er een schip in het kanaal nadert.
En dat geschreeuw van jullie, zeg ik dan. Oppersatan in de laagste hel schrikt daar nog van.
We laten ons horen, ja. We hebben onze redenen.
Het is verschrikkelijk, schud ik het hoofd.
Voor het eerst beweegt de kop van het beest lichtjes.
En toch ben ik blij dat we hier even zo staan, zo midden op de weg, en midden in de nacht. Dat het weer eventjes bijzonder is, als de eerste verkeerszuil in ons dorp. De schaduw, dat roerloze. Het zinloze.
Juist.
Maar mag ik er nu dan langs? Dat we rustig uit elkaar gaan en dat je niet zo schreeuwt.
De reiger buigt de knieën, de vleugels spreiden zich en moeizaam vliegt hij weg.

Ik mis opeens mijn trompet

Ergens tussen de slapende kranen in de haven en de donkere lichtmasten van het FC St Pauli-stadion in mis ik opeens mijn trompet. De straten glimmen na een donkere dag. Wat zou het nu even fijn zijn om mijn buik, mijn lippen, de toeter en de lucht te laten trillen.
Drie dagen geleden liep ik bij Muller in de Raadhuisstraat binnen en vroeg naar dempers.
Wat wil je? Vroeg de man.
Miles, zei ik.
Natuurlijk.
Het wordt tijd, zei ik. Na anderhalve week wil ik eindelijk als Miles klinken.
Deze, hij haalde een demper uit de kast.
Gegarandeerd?
Gegarandeerd.
Ik draaide het ding in mijn handen rond.
Of wil je het nog proberen?
Hij pakte een gouden trompet uit de etalage, er bungelde een kaartje aan met 169,00.
De man drukte de demper in het instrument en zei: geneer je niet.
Ik blies, zo hoog en schel mijn lippen het toelieten.
De man ging ondertussen naar achteren. En ik vroeg me in de verlaten winkel af of ik als Miles klonk.
Een jongere man kwam toen van achteren de winkel in.
Je komt kijken omdat je zeker dacht dat hij opgestaan was uit de doden? glimlachte ik.
Nou, we zeiden achter dat ze de waterleiding weer aan het doorblazen waren. Nee hoor, het was beter.
Miles had natuurlijk ook een minder goede trompet. Ik legde het ding op de toonbank.
Vroeger kwam Chet hier altijd, zei hij. Die kocht dan een oost-duitse trompet van 300 gulden en verkocht die s avonds voor dik geld aan iemand uit het publiek. Maar ja, Chet kon ieder instrument goed laten klinken. Dan stond hij hier, hij wees op de plek vlak achter me, voor de vitrinekast met koperblazers, en dan viel hij terplekke in slaap. Zwaar leven, he. Ja, ik werkte hier toen nog niet, hoor.
We praatten nog even door en bleken behalve Chet en Miles nog meer gezamelijke kennisen te hebben van verweg en ver terug.
En nu ik door de straten aan de haven slenter in een stad waar ik niemand ken, mis ik mijn trompet. Even de lucht laten trillen. Zonder woorden spreken met niemand in het bijzonder.

In en uit

Daar ist’ie dan. Jarenlang broeide er iets in me, een impulsaankoopje is het niet. Ik weet waarom niet.
Gistermiddag opende ik de koffer, haalde het instrument eruit en duwde de pijp waarin je het mondstuk duwt in mijn neus. Ik snoof de muffige geur uit het binnenste van het toch gloednieuwe instrument en meteen hoorde ik een klok en de de breipennen van mevrouw Oost tikken. Zij was de vrouw van de voorzitter van de muziekvereniging. Ze keek steeds even op van haar breiwerk en knikte soms.
Ik zat in een grote stoel. Een gevernist voorjaarsavondlicht streek over de trompet in de handen van Oost.
Je aanwezigheid was niet altijd een plus voor de sfeer in het korps en voor de goede zin van de dirigent, zei de man.
Bedrukt keek ik toe hoe hij het huurinstrument dat ik in kwam leveren, al pratend onderzocht. Ook mijn afwezigheid tijdens de blaaskampen was hem -en niet alleen hem- een doorn in het oog. Ik wilde best zeggen dat dat de sfeer dan ten goede was gekomen, maar durfde niet.
En dat gedoe met het poetsen van het instrument, mompelde hij.
Hij liet de trompet traag omwentelingen maken, met zijn ogen liep hij het pijpenstelsel af waar ik jarenlang mijn lucht doorheen geblazen had, genoeg voor een hele najaarsstorm. Het zou niet lang meer duren eer zijn blik die ene plek bereikt had.
En dan dat uniform, zei Oost. Waarom zou je niet met je uniform aan over straat kunnen? Hij liet een stilte vallen, maar ik meende niet dat ik iets moest zeggen.
Een slap lid, zei hij toen. Maar omdat je goed kunt spelen wil ik toch… zijn woorden stokten, zijn blik bleef steken bij de ronding in de voorste buis. Een hitte gulpte door mijn lijf.
Aarzelend ging zijn wijsvinger naar de ronding en drukte daar tegen een grauwe en doffe vlek op de buis. Het tikken van de breipennen stopte. Gadverdarrie! riep de man uit. Dat is kauwgum!
Hij peuterde het stuk kauwgum van de buis en pookte wat langs de rand van het gat dat er mee gedicht was.
Daaruit ontsnapte lucht, zei ik zacht.
Pas toen hij opeens niet wist waar hij met de kauwgum heen moest, leek Oost zich weer bewust van zijn afkeer en boosheid.
Hoe lang zat dat er al in?
Een jaar of twee. Drie misschien, fluisterde ik.
Ga dan ook maar, zei hij luid.
Ik stond op, hij ook -met de rechterhand ver van zijn lijf. We gingen de gang in, daar verdween hij door de deur naar de keuken. Even stond ik alleen in de gang, luisterend naar de geluiden uit de keuken en kijkend naar de foto aan de muur waarop de man breed lachte met zijn tuba op schoot. Toen sloop ik naar de voordeur en opende die geruisloos. En nadat ik de deur zo zacht mogelijk achter me dichtgetrokken had, floot er een merel. Ik haalde zo diep adem dat het leek alsof ik al de lucht die ik door het instrument had geblazen weer in me terug wilde halen.

En nu, vijfendertig jaar later, trek ik de pijp uit mijn neus, duw het mondstuk erop en blaas. Meteen voel ik die heerlijke trilling. Na vijfendertig jaar alleen maar inademen, kan ik eindelijk weer eens blazen. Je moet beide doen, regelmatig, niet eerst jaren het een en dan jaren alleen het ander. Gewoon in en uit.

Nelson Mandela

In pakweg 1997 stonden we aan de Amstel te wachten. We wachtten op een boot die bij de Stopera van wal zou steken. In die boot zat Nelson Mandela. Merkwaardig genoeg stond er verder niemand aan de kade. Aan de overkant zette de boot zich eindelijk in beweging, maakte een draai en naderde ons waarop die langs ons gleed. Mandela praatte wat met Gullit, wie anders, met de rug naar ons gekeerd. De ramen van de rondvaartboot stonden open en als een kind riep ik: Mister Mandela! Hij draaide zich om, we staken de armen in de lucht, hij lachtte en zwaaide. Onze blikken raakten elkaar en er ging een huivering door me heen. Ik stond oog in oog met het hoogste wat een mens presteren kon. We glimlachten en de boot gleed door. Wij renden de grachtengordel in om steeds bij de volgende gracht Mandela weer langs te zien komen. Nu kan ik zeggen dat dit in een uurtje was waar het om gaat: rennen om steeds weer het beste, mooiste en hoogste in de ogen te kunnen zien.

Er is veel dat went

Eergisteren had ik het voor het eerst sinds maanden weer eens koud. Ik zat op de fiets, ergens in Het Gooi, het regende. Het voelde lekker. Anders en toch bekend.
Eerst werd mijn huid door de klamme kou in mijn kleren gestreeld, maar daarna begon de kou mijn vlees in te trekken. Om warm te worden begon ik harder te fietsen. Zo hard dat ik een man achterop kwam. Dat gebeurt me zelden. Aarzelend bleef ik dan ook wat achter hem hangen, omdat ik vermoedde dat snel zou blijken dat hij eigenlijk veel harder ging dan ik. Maar na een tijdje merkte ik dat de koude me zo op de hielen zat dat ik de man toch in moest halen om mijn kachel op te poken. Hij had al een paar keer opzij gekeken, hoorde het suizen van mijn banden en derailleur achter zich.
Terwijl ik hem passeerde keek ik naar hem en groette. Pas toen ik hem voorbij was realiseerde ik me dat hij Herman Heinsbroek was. Toen hij me echter niet meteen weer inhaalde, begon ik daar meteen aan te twijfelen.
Bij een rotonde keek ik achter me, daar in de verte was hij nog te zien. Hij leek me iets te dik, maar televisie maakt immers slank. Hij had heel veel auto’s waarmee hij moest rijden, peinsde ik, en dat hij uitgerekend als het regende dan de fiets nam – die hij natuurlijk ook best had – dat leek me ook raar. Nee, het zou hem vast niet zijn. Maar toch.
Ik vertelde niemand dat ik iemand die op Herman Heinsbroek leek in had gehaald, wel dat de kou best weer eens lekker was en dat we er wel weer aan zouden wennen. Maar Herman Heinsbroek inhalen, dat went nooit, zei ik daar in mezelf achteraan.

negenenveertig jaar en driehondervierenzestig dagen

Op het schoolpein staat een hond. Een meisje vraagt aan de hondenmoeder hoe oud het dier is. De moeder zegt: morgen wordt hij twee jaar. Ze kijkt mij aan en glimlacht even, alsof ze er zo aan toe wil voegen dat die meneer achter haar morgen vijftig wordt.
O, zegt het meisje en loopt weg.
De hond en ik kijken elkaar aan. Onze baardjes zijn ongeveer even lang, het mengsel van donkere en lichte haartjes is vrijwel gelijk.
Je ziet er oud uit, voor je leeftijd, mompel ik… Als je iets wil weten, over het leven ofzo, dan vraag je het maar. Morgen.

House-of-the-rising-suns

Ik zie geloof ik een trekker met een BH, zei hij. Ik keek snel achterom, maar zag niets, zoals ik al meer had gemist van wat hij zei. Zijn opwinding stuwde een nergens haperende woordenstroom uit zijn mond.
Voor Jelmer was de grote dag gekomen, en voor mij eigenlijk ook. In de luchtbelletjes van zijn verhalen zweefden mijn eigen gedachten. Ik dacht aan een kamp van school: een jaar of veertien moet ik geweest zijn, toen jongens gitaar speelden en zich daaromheen groepjes vormden van kinderen die luisterden. Ik hield mezelf voor dat het maar House of the Rising Sun en Hey Jude was dat ze speelden, maar het deed niets af aan mijn gevoel dat ik ergens aftuimelde. Speel jij geen gitaar? vroeg meisje A. me nog. Ik mompelde iets om een directe ontkenning te ontlopen; beginnen over de koperblazers die ik bespeelde, of dat mijn kennis van het notenschrift volledig op orde was, dat ik wist wat kwinten en tertsen waren, ging natuurlijk niet.
Toen ik 16 werd, kreeg ik een gitaar op mijn verjaardag, maar House of the Rising Sun probeerde ik er nooit mee te spelen. Ik heb de gitaar nog steeds: ook Hey Jude is in al die jaren nooit het klankgat uit gegulpt.
Eigenlijk werd het er vanaf het bezit van een gitaar alleen maar moeilijker van. Ik kon gitaar spelen, knikte ik dan, maar vaagjes, omdat ik wist dat de volgende vraag me in verlegenheid zou brengen. Speel dan eens iets. Ik bespeelde het instrument altijd stiekem op mijn eigen manier en daar had je dus niets aan. Zo liet ik overal mijn beurt voorbijgaan.
Vanmiddag was er volop opwinding. Alles werd anders. Ik fietste met Jelmer naar de leukste gitaarwinkel in de stad. Na 12,5 jaar vaderschap, met 2 zoons, gaat er eindelijk gitaar gespeeld worden. Jelmer gaat dat doen met een echte gitaarleraar en ik hoop dat hij geen gekkigheid in zijn hoofd krijgt, zoals je als vader wil dat je kinderen het beter gaan krijgen. Ik wens hem alle Hous-of-the-rising-suns toe die hij maar pakken kan.
Op de terugweg zei hij: hoe zou Pieter zijn nieuwe broertje vinden? Ik wist dat hij begreep wat een gitaar met een man kan doen.
Even later keek hij naar hoe zijn 3/4 gitaartje in een hoes op mijn rug hing. Hij zei: Straks denken de mensen dat het een banjo is.
Tja, zei ik, dat heb ik dan weer.

In het midden

Kun je voor of achter een stadje staan, als daar de Televisietoren staat? Sta je dan niet in het midden? De gedachte gaat even door me heen wanneer ik op een splitsing aan de rand van Hilversum met de telefoon in de hand sta, om mijn route te bepalen. Er is geen 3G. Er is ook nauwelijks licht. De drie wegen die op de splitsing uitkomen hebben zich een weg door dichte bossen gebaand.
Een man stopt naast me. Hij zit op een Gazelle van hetzelfde type als de laatste fiets van mijn moeder. Hij draagt een kaki-kleurige petje, een dikke bril, en als hij begint te praten, blijken zijn tanden rommelige stompen te zijn.
Zestig kilometer, dat is mijn verste, zegt hij. Als kind dacht ik eens dat ik in drie dagen wel naar Antwerpen kon fietsen. Ik ben weg gegaan maar toen stond ik drie dagen later in het dorpje van St. Bernadette in de Pyreneeën. Dat was iets verder. Nee, dat klopt ik was geen kind meer. En ik was met de Thalys. Het dorpje van Sint Bernadette van Mieke Telkamp, kent u dat?
Ik zeg dat ik Mieke Telkamp ken, maar dat lied niet.
Toen had je veel leuke Nederlandse liedjes. De kat van ome Willem.
Cocktail Trio, was het niet?
U zegt het… Domme Sammy.
Ramses Shaffy.
Ja, die had je ook… De nonnen van St. Bernadette hebben me gered. Ik ben decennialang ziek geweest. Nu ben ik weer gezond. Nou ja, ik heb nog kanker, maar dat is het minste. Het zit overal, al veertig jaar. Sinds vijf jaar eet ik alleen goed wit- en bruinbrood, met honing en melk. Verder mag ik niets.
Van wie niet?
Van mezelf. Ik neem nog wel vitaminepillen, VP noem ik die. Mijn zuster verstrekt die. Televisiekijken mag ik ook niet meer.
Ook van uzelf?
Ik mag niet staren. De kanker zit ook in mijn ogen. Maar ik zie beter dan ooit. Weet u, ik geniet volop. Ik doe zelf mijn eigen huis en ik fiets iedere dag. Ik had geen gemakkelijke jeugd, maar het gaat beter dan ooit.
Boven de boomtoppen uit, zie ik de Televisietoren de lucht in prikken. Vanaf daar worden aanhoudend signalen over ons heen gejaagd: mensen die zich afvragen hoe het nu verder gaat, een doelpunt, een bos waar iemand gevonden wordt, en kind dat een lied zingt als een volwassene.
De zon breekt door, hij schijnt op uw gezicht, zegt hij dan. Om ons heen warrelen vale vlekken over de grond.
Hij kijkt op zijn horloge: Elf uur geweest. Toen ik hierheen fietste, dacht ik al dat dit een mooie plek zou zijn om om elf uur te staan, of net even na elven.
U had gelijk.
Ik ga verder. Ik wens u een fijne sportdag.
Hij rijdt weg en roept achterom kijkend: O ja, broccolisoep, dat eet ik ook. Iedere dag, maar het verveelt nooit.
Terwijl ik naar huis fiets, spelen zijn woorden steeds door mijn hoofd: een mooie plek om om elf uur te staan. Of even na elven.
De televisietoren kan spuwen wat die wil, maar wij stonden op een mooie plek. Middenin. Zo middenin dat alles over ons heen vloog zonder dat we iets misten. Even na elven.

Op vleugelkes

‘Meneer, uw vleugelke is losgegaan.’
Het is een van de mooiste dingen die tegen me gezegd zijn, denk ik in een ondeelbare tel. En dat nu ik me zo zwaar voel.
Ik kijk achter me en word gepasseerd door een oude man in een fel roze Lampre-shirt. Ik stop en draai mijn achterwiel vast.
Als ik weer fiets zie ik een stuk voor me de pezige man rijden. Ik verwacht dat de afstand tussen ons snel zal groeien maar het valt mee. Ik schakel terug en neem een paar heuze haarspeldbochten.
Boven staat de man te wachten. Hij houdt me staande. ‘Maakt u een foto van mij?’
‘Vanzelfsprekend.’
De man houdt zijn iPhone op een bord gericht dat ons welkom op de top heet. Zijn fiets staat ertegenaan. Hij laat me het kader zien. ‘Zo moet u mij fotograferen. Ik word gesponsord. Ik heb al zes fietsen van hun.’ Hij knikt naar zijn fiets. ‘Dit is voor op hun site. U moet op dit knopje drukken.’
Ik maak de foto.
‘Ik was een goed klimmer. Kent u La Marmotte? Dat is een koers met vier cols. die won ik in 84. Ik was lang ziek. Sinds gisteren fiets ik terug. Tien keer won ik de Alpe d’Huez. Zegt u dat iets? Waar komt u vandaan.?… Ach dan zal ik eens iets vertellen. Weet u hoe vaak ik de Alpe d’Huez opgereden ben? Nee? 164 keer. Ik ben nu halverwege. Ik woon in Tongeren. Da’s 50 kilometer terug. Ik heb eens 18 jaar de fiets niet gepakt. Allez. ik moest gaan.’
Daar verdwijnt hij, in het heerlijke landschap van zelfingenomenheid. Ik zie hem de paal passeren die het hoogste punt van ons land aangeeft en weet dat hij moet dalen. Jammer, ik wou dat hij altijd hoger kon, op zijn vleugelkes van trots.

Fokskrant

Waarom de krant zo laat komt

De ochtendkrant is weer laat. Dat gebeurt meer. Soms komt die pas als we al vertrokken zijn. Ook het avondblad laat vaak op zich wachten. In het gebruik wordt de ochtendkrant soms het avondblad en andersom.
J. (7) en ik stappen op de fiets, op weg naar school. Het is guur.
Gelukkig, we hebben de wind in de rug, zeg ik.
Ja, gelukkig, beaamt J.
Ik vraag of hij het verschil goed merkt.
Ja, met de wind in de rug krijg ik altijd jeuk onder mijn oksel.
O.
Op school gekomen, trekt J. zijn laatje open en geeft me wat in elkaar gevouwen bladen.
De krant! roep ik uit. Kan ik die toch nog lezen!
Binnenin de krant staat dat er een dikke brand was en dat er een ongeluk gebeurd is. Verder is het nog leeg.
Een rustige dag, zeg ik.
J. vertelt dat hij nog wil schrijven dat er iemand dood is. Weet jij nog iemand die dood gegaan is? Natuurlijk niet opa of oma, maar een belangrijk mens.
Ik peins een tijdje over een onlangs bekende en aansprekende overledene. De paus, schiet me opeens te binnen, maar meteen ook bedenk ik dat die weliswaar opsteeg, maar dat het met een helikopter was, levend en wel.
Schrijf en teken in de Fokskrant anders dat de papen een nieuwe Paus hebben.
Nee, zegt J, dan moet ik immers wit op wit tekenen, met al die jurken, dat gaat niet.
Je kunt het gewoon in lijn doen, suggereer ik. Met een potlood.
Mwaa.
Opeens besef ik hoe moeilijk het is een krant te maken, en dat het geen wonder is dat die soms te laat is. Als je even geen bekende dode kunt bedenken, of als de jurk van de paus moeilijk met wit op wit te tekenen is, dan stappen de mensen ondertussen al op de fiets en rijden met wind mee de dag in. En als ze dan jeuk onder de oksel hebben, lees je dat niet in de krant, want daar staan alleen verhalen over tegenwind in. Maar bedenk wel dat je met tegenwind tenminste geen jeuk onder je oksel hebt.

Tipex of Ctrl-Z

De wereld verdwijnt onder sneeuw, ik moet aan Tipex denken, en als ik aan Tipex denk, denk ik aan het wederopbouw-portiek op de foto. Ik nam die enkele weken terug omdat ik er halverwege de jaren negentig pakweg anderhalf jaar woonde. Ik kwam er voor het eerst sinds jaren langs.
Achter de deur links woonde buurman H. In de dagen dat ik mijn nieuwe huis een beurt met de witkwast gaf, maakten we in het portiek kennis met elkaar. Hij was groot, maar vooral breed. Hij droeg een t-shirt met erg korte mouwen, er staken twee zeer gespierde armen uit. Zijn schouders liepen hoog naar ergens in een dikke nek. Aan een daarvan hing een sporttas. We gaven elkaar een hand en ik voelde me klein.
In de tijd die volgde, kwam ik er in gesprekken van zes zinnen op de trap achter dat hij enkele uren per dag in een videotheek werkte en de rest van zijn tijd in een sportschool doorbracht. Ik zei dat het niet aan hem te zien was dat hij in een videotheek werkte.
Op de deur van buurman H. zat een naambordje waarop onder zijn naam een vrouwennaam stond. Het duurde lang eer ik de vrouw met die naam voor het eerst zag, en daarna kwamen we elkaar zelden tegen.
Toen ik op een dag thuiskwam, viel mijn blik op het naambordje: de naam van het meisje was met Tipex weggewerkt. Aan het einde van de haal zat een verdikking van het goedje. Een gestolde druppel, alsof er een traan zou komen, maar kom, het moest ook niet te gek worden.
Ik stak de sleutel in mijn voordeur, keek nog eens om en vroeg me af wat buurman H. met Tipex moest. Ik kon me niet voorstellen dat hij ’s avonds zat te typen op een Remington of Olympia.
Het bordje met Tipex bleef er maanden hangen, tot er op een dag een nieuw bordje kwam, met onder de naam van buurman H. een nieuwe meisjesnaam.
Als je een typefout maakte en het potje Tipex pakte, wist je dat de fout weliswaar weggewerkt werd, maar dat het ook sporen achterliet. De enige manier om van die sporen af te komen was het papier uit de machine trekken en er een nieuw in rollen. Uiteindelijk deed je dat zelden omdat de kans dat je ook daarop een fout maakte groot was. Je deed het alleen als het te erg werd en je wist dat het op een nieuw vel zo erg niet zou worden als op het oude. Dat dacht ik toen ik met de sleutel in de hand naar het nieuwe bordje op de deur stond te kijken.
Toen ik een paar weken geleden de foto van het portiek nam, liep ik de trap op, benieuwd naar een naambordje op de deur. Daar hing het, de naam van buurman H, met daaronder een vrouwennaam. Ik groef in mijn geheugen; het kwam me niet raar voor dat het het bordje was dat er hing toen ik de woning lang geleden achterliet. Het leek erop dat H. foutloos door het leven was gegaan. Maar het kon ook zijn dat de Tipex op was, of uitgedroogd. Of dat hij nu op zijn nieuwe HP Pavilion G6-2005SD 15.6” laptop met Windows 7 Home Premium met zijn grote vingers de toetscombinatie Ctrl-Z probeert, en merkt dat er weliswaar geen spoor van fouten meer zichtbaar is, maar dat er toch pijn blijft over iets waarvan je de stappen niet ongedaan kunt maken.