Categorie archieven: gedaan

Overlanders – Als dit de ruis is

In november 2012 bouwden Jeroen van Kemenade, Tim Klein Haneveld, Leli Vero, Mark Versteegen en Jabik de Vries een geluidsstudio op.
Ze hadden besloten zich daar vier dagen op te sluiten om tot iets moois te komen. Nog niet eerder hadden ze in deze samenstelling muziek gemaakt, bovendien organiseerden ze een pool van muzikanten die stand-by waren en langs konden komen wanneer ze gebeld werden. Er lagen geen songs klaar of half-klaar om gespeeld te worden, het enige houvast was een vertelling van Jabik de Vries.
Na de vier lange dagen lagen er opnames die een spannende mengeling waren van afgeronde liederen en sferische stukken waarvoor gebruik was gemaakt van verschillende akoestische en elektronische instrumenten, binnengeluiden door het hele gebouw en buitengeluiden. Klaar was het niet, maar de moeite waard om af te maken. Dat gebeurde in de loop van de tijd, in verschillende samenstellingen in verschillende studio’s.
Het resultaat is een stuk van drieënveertig minuten met als titel ‘Als dit de ruis is’.

Als Dit De Ruis Is - Overlanders

Wat blijft er nog? vraagt het jongetje zich af. Hij ligt op een warme zomeravond in zijn bed, het gordijn is dicht, het raam is open en hij luistert tussen waken en slapen naar de wereld buiten zijn slaapkamer. Hij luistert zo goed dat hij steeds meer gaat horen, van steeds verder weg, tot hij zelfs geluiden hoort die hij niet kent omdat ze van plekken komen waar hij nog nooit geweest is, maar waar hij naartoe genomen lijkt te worden.

Triptiekje

Zoontje J. zegt de laatste tijd opvallend vaak dat ik alles weet. Hij is 10. Ik dacht dat ook van mijn vader, maar weet niet goed meer wanneer ik van mijn geloof viel.
Mijn vader zei weer regelmatig dat Cruijff alles beter wist.
Ik leerde dat dat een uitdrukking was.
Als je zoiets opmerkte dan wist je meer dan degene die alles beter weet, meende ik.
Boven deze verwarrende zoektocht hing bij ons thuis iets dat altijd hoger was. Dat hield mijn gedachten een beetje bij elkaar.
Terwijl voor de Westerkerk in de kou sta, in afwachting van de Johannes Passion, dood ik de tijd met het aanmaken van dit stukje.
Ik maak een triptiek, bedenk ik: in mijn facebook-tijdlijn zoek ik naar de tekening die mijn vader in 1974 van Cruijff maakte.
In mijn jeugd speelde zich een jongensjarenlange wedstrijd wie-het-beter-weet af tussen de grote 3: God, mijn vader en Cruijff.
Nu ze er alledrie niet meer zijn kan ik aan mijn zoontje J. slechts zeggen dat je van alles kunt weten maar weinig kunt begrijpen. Maar ik weet ook dat zoiets weer ontzettend wijs klinkt. Triptiekje klaar. Timpaantje erop: Nescio. Het is koud.

Over een shirt dat niet zo mooi blijkt te zijn

Dik dertien jaar geleden kocht ik een shirt.
Omdat ik geen zin had mezelf af te pellen in een stoffige kleedkamer, gokte ik de maat. Het was maar een shirt, het kwam zo precies niet.
Toen ik het ’s avonds thuis probeerde bleek het te klein. Eigen pech en schuld gehad. Moest ik nu terug naar zo’n winkel en had ik bonnetje nog en kreeg ik dan een tegoedbon?
Wat sullig stond ik met het te korte shirt aan in de woonkamer. In een hoek stond de box met daarin zoontje P in een spartelpakje.
Hij was een soort huisdiertje waarvan je je niet voor kon stellen dat hij langer dan een meter zou worden, dat zijn pink zo lang zou worden als zijn voet nu. Toch, als ik goed nadacht wist ik dat de tijd ook door de spijlen van deze box glippen kon.
Ik legde het shirt onder in de kledingkast.
Zo nu en dan, bij opruimen van kasten, dook het shirt weer op. Bij verhuizingen ging het in de zakken mee. Ik vouwde het soms opnieuw op. Daarna vergat ik weer en werd het herfst, of zomer, of kerst, en werd Pim Fortuyn vermoord, of scoorde Robin van Persie tegen Spanje.
Een paar weken geleden dook het weer op. Vanochtend was het zover. Ik gaf P het shirt en zei: pas eens.
Verbaasd trok hij zijn slaaphemd uit en trok het shirt aan.
Het was zover, het shirt pastte, het kind ook.
Ik vertelde hoe het tot vanochtend gekomen was.
P zei: ik vind het niet zo’n mooi shirt.

Nog een goed gesprek

Mijn rekje zit aan het voorwiel vast. Jouw rekje niet, zegt hij. Waarom?
Dit is handig, antwoord ik. Alleen het voorwiel gaat heen en weer. Als jij voorop het rek zit dan slinger je niet naar links en rechts door de bocht. Je zit dus altijd recht voor me. Zo houd je mij uit de wind. Dat fietst lichter.
Maar ik ben zwaarder.
Toen je kleiner was en je op het zadeltje op de stang zat, dook ik achter je als het sneeuwde. Jij werd dan helemaal wit en als we afstapten, zat er een donkere plek op mijn borst, buik en bovenbenen. Dat was jij.
Grappig, zegt hij… Maar is het fijn, dat rek zo?
Het is een groot succes. Zoals eigenlijk mijn hele leven.
Is dat zo?
Ja.
Heb je nooit pech?
Alleen maar heel veel onpech.
Wat is dat?
Het tegengestelde van pech.
O.
Pech is als je er niks aan kunt doen, zeg ik.
Ja… Onpech, dat is dat je er wel iets aan kunt doen?
Of onpech is mazzel. Kun je ook niks aan doen, maar dan dat het geen pech is.
We gaan linksaf de brug op. Hij houdt de klep van zijn baseballpet vast.
Succes, daar doe je wat aan, zeg ik.
En jouw leven is een succes, zegt hij.
Ik lach. Mijn leven is alleen een succes als ik mazzel heb.
Dan moet je er iets aan doen.
Of niet. Ach. De sneeuw kun je van je kleren afslaan, de donkere vlek die jij op mijn kleren was, die kon ik niet van me afslaan. Niks aan te doen.
Ik wil ook zo’n rekje.
Dat kan ik me voorstellen. Het is veel stabieler.
Jij bent toch wel eens gevallen?
Jawel.
En je hebt wel zo’n rekje.
Heel dikke pech.
Ja… Hoe schrijf je pech?
Pee-ee-see-haa.
Gek.

Dit had ik moeten schrijven

Er is een stukje dat ik had moeten schrijven. Dat stukje is er dus niet. En toch. Ik schreef het in mijn hoofd. Soms gebeurt dat. Je staat ergens, er zijn dingen om je heen, niet dat er iets gebeurt, en in het hoofd begint een typemachine een stukje te schrijven. Soms pak ik dan mijn telefoontoestel en schrijven mijn vingers mee. Soms ook niet. Dat is niet erg, maar het blijft me dwars zitten dat ik het laatst niet deed. Zo is er dus een stukje dat ik had moeten schrijven.
Het was eind februari en het ging zo:
Van winterklaar maken heb ik nooit iets begrepen. Het kan komen doordat ik weinig van tuinieren weet, maar ik denk dat het vooral komt omdat ik geen afmaker ben.
Ik sta in de tuin en gooi de resten van het vorige groeiseizoen op een hoop. Het is geen afmaken, maar het is beginnen.
Niet dat het vanmiddag al voorjaar is, nee, vanmiddag wordt het voorjaar. Als longen die leeggezucht zijn, net voor een nieuwe ademhaling. Het moment dat er een zwaan aan het oude riet begint te trekken. De zwaan is nog bruinig, die heeft net zijn eerste winter gehad en het viel wel mee, maar toch fijn dat het zo’n middag is. Met een soort sabbelen zoekt de snavel vastigheid aan het riet en dan doet de hals een vinnige ruk. Het klinkt een beetje zoals het losrukken van de brandnetels die nu achter me op de hoop liggen.
Ik ga op het bankje zitten, vlak bij het riet, de zwaan gaat onverstoorbaar door. Kijk, zeg ik tegen zoon P die de tuin in komt lopen, deze waaide hier vorig jaar als kuiken langs. P draait zich zwijgend om, en dat hoort erbij.
De zwaan sabbelt en scheurt door. In hem lijkt een drift zonder haast. Ja, het is hetzelfde als in mij. Het is niet dat het voorjaar is, maar dat het voorjaar wordt. Er komen er ieder jaar maar een paar middagen van, meestal zijn het zelfs maar halve middagen, soms is het maar een uur, dat de kille wind rimpels op het water blaast en de lage zon er een blauwe gloed op legt nadat de winter het maanden had laten roesten, en ergens anders begint het lange maar doodse gras te bewegen en te glanzen. Een scholekster roept iets.
Ik zou mee willen schrijven, maar het is er te kort voor. Juist de dingen waarin geen en-toen en-toen is, kosten de meeste woorden. En juist daarom wil ik nadien dat ik meegeschreven had.
Ja, zo gaat het.
En nu is het al april en ik weet niet wat zich nu aan gaat dienen waarvoor het nog te vroeg is en wat te kort is om mee te schrijven. We moeten deze dingen maar zien en ze onthouden.

Een goed gesprek

Bij de foto:

Onder de rechter maan wordt huiswerk Grieks gemaakt, in het schijnsel van de linker maan wordt de Donald Duck gelezen.
Onder de rechter maan vraag ik of het goed gaat. Dat gaat het.
Dan klinkt vanuit de halo links: ik begrijp niet hoe de mensen begonnen te praten.
Ik probeer door mijn spiegelbeeld heen uit het raam te kijken, het is vijf uur en de wereld is zo zwart dat er niets in kan zijn. Hooguit het woord, denk ik.
Waarschijnlijk begrepen mensen dat ze elkaar nodig hadden, zeg ik langzaam. Dan moet je elkaar begrijpen.
Was het eerste woord ‘ik’?
Omdat ‘ik’ het belangrijkste is? En je eerst aan jezelf denkt?
Het is het kortst, zegt hij.
Aan de overkant wordt een lamp aan gedaan. Meteen ligt er op het water een rimpelloze spiegeling van, die het zwart peilt.
… En daarna werden de woorden langer?
Ja.
Zo kun je aan de lengte van het woord de leeftijd ervan schatten, peins ik.
De mensen worden toch ook steeds langer.
Ik knik, denk even aan de bosnimf Echo, aan de andere kant van de muur.
Gesprekken worden dan ook steeds langer, zeg ik.
Hij komt naast me staan, we staren naar buiten. Hij heeft zijn pyjama al aan gedaan.
Steeds langer. Tot er nooit meer een eind aan komt, als de woorden langer dan de tijd zijn geworden.
In de spiegeling van het raam zie ik aan een kleine beweging van zijn hoofd dat hij naar zichzelf kijkt, ook zie ik de vooruitstekende losse tand. Hij zegt niks terug, maar ik hoor zijn adem van het glas terugkaatsen. Een eend verbrijzelt de spiegeling van de lamp tot honderd maantjes.
Dat stille, dat vroege donker van de wintermiddag, zeg ik dan. Alsof we nergens meer bij horen.
Ja, we moeten hard roepen.
Ik zou nu niet weten of dat dan een kort woord is of dat we al aan een lang woord toe zijn.
Of middelmatig, zegt hij.
Of middelmatig, ja. Daar zullen we nu zo ongeveer wel zijn. Onze woorden zijn nog niet langer dan de tijd.

Een schitterende dag

Het was een schitterende dag. Niet dat iedereen de hele dag lachte, of zelfs maar glimlachte, en in het dorp Middelie liep een zware hond met aan zijn achterpoot grote gezwellen waarvan de helft bloedde. Veel was dus normaal, maar het licht schitterde. Aan de berken blikkerde bladgoud, in de bermen lag goud en goud waaide over wegen.
Ik kwam aan het meer, ook het riet was goud, en het water kleurde koperroest.
Ik moest aan vroeger denken. Ik denk ook wel eens aan later, maar makkelijker vind ik het te denken aan de tijd dat ik nog leefde. Alles om heen had dezelfde kleuren als wanneer we vroeger de laatste tocht met de boot maakten, om die op de wal te trekken.
Een zee van bij elkaar gekomen meerkoeten lag op het water. Zoveel dat de wind ertussen geen rimpeling meer maken kon. De zwarte vogels weerspiegelden in het water waarmee ze zich voor het laatst in het seizoen vermenigvuldigden.
Als de boot eenmaal op de wal lag en het al ging schemeren, werden boven ons de spreeuwen magnetisch. Zwijgend luisterden we naar de momenten dat 11002 spreeuwen opeens omkeerden en 22004 vleugels prfft deden.
Ergens was een houtkachel aangestoken.
Het licht verdween en ik dacht dat de schittering nooit meer te zien zou zijn.
35 jaar later is die er nog steeds. Maar over 2 weken, wanneer de bladeren geen kleur meer hebben, zal die er niet meer zijn. Zelfs al lacht iedereen dan de hele dag en is de hond in Middelie genezen.
Pas over een jaar weer, en ook over 35 jaar weer, wanneer er boten op de wal getrokken worden en meerkoeten zich verzamelen.
Eigenlijk is aan later denken helemaal zo moeilijk niet.

Hoe mijn moeder tussendoor een Elfstedentochtwinnaar maakte

Mijn moeder had een werkzaam bestaan.
In de laatste jaren voordat ze trouwde met de man die mijn vader zou worden, werkte ze “op kantoor” twee dorpen verderop.
Dat dorp groeide onstuimig door de komst van een scheerapparatenfabrikant. Het was pakweg 15 kilometer fietsen. Ze deed dat zes ochtenden in de week, op zondag niet.
Als ze ’s avonds thuiskwam, zorgde ze voor de mensen die later mijn opa en oma bleken te zijn. Ze hadden een zwakke gezondheid. Als oudste inwonende dochter kookte mijn moeder, deed de was – met de hand- , het stof, de tuin en noem maar op.
’s Ochtends om 7 uur stapte ze dan weer op de fiets, op weg naar kantoor.
Vanaf de kant van het veendorp Tijnje doemde er in de winterse duisternis dan een fietslichtje op.
Mijn moeder draaide de altijd verzakte Swynswei op en samen met de man van wie het fietslichtje was, fietste ze naar het kantoor in het dorp waar de scheerapparatenfabriek stond. Hij was daar onderwijzer, geloof ik.
Ze hadden de vaart erin. Mijn moeder had haast, zij moest die dag nog zoveel doen.
In 1954 won die man De Elfstedentocht. Zijn benen waren ijzersterk, zijn kuiten gehard doordat hij ’s ochtends mijn moeder bij probeerde te houden, die haast had, ze moest nog zoveel doen.
Mijn moeder is al 6 jaar dood. Ze wist weinig meer, maar een van de dingen die ze nog kon vertellen was dat ze zoveel te doen had en zes ochtenden in de week op de fiets stapte.
Gisteren overleed die man.
In de verhalen over hem ben ik nergens tegengekomen hoe het allemaal zo gekomen is: die overwinning op De Bonkefeart van Jeen van den Berg.
Zo dus.
Dag mem.

Koorts

Ondanks dat hij niks zegt, word ik wakker. Hij staat naast me.
Ik voel ineens de koude klamheid van de septembernacht, die lijkt op de koude koorts die ik een paar nachten had.
Ik moet kotsen, zegt hij.
Het doet me overeind schieten. Kom maar snel.
Ik heb het al gedaan, in bed.
In zijn kamertje haal ik het beddengoed af, hij zakt neer op het dekbed dat op de vloer ligt. Ik haal een bak, zet die op bed en hij gaat liggen.
Meteen komt hij weer overeind, gaat op zijn knieën zitten en hangt zijn hoofd boven de bak.
Mijn hand gaat zacht over zijn rug die hard als een schildpad voelt, zijn maag pompt met de trage kracht van een zwemmende kwal.
Als hij weer gaat liggen, kijkt hij glazig de gele schemer van zijn kamertje in.
Ik zou het cool vinden als er nog een planeet wordt ontdekt, zegt hij lodderig.
Heel verre sterren, daar zien ze er steeds meer van. Oude sterren.
… Heeft Pluto de vorm van een snuit?
De planeet was er eerder dan de Donald Duck, zeg ik.
Mijn hand gaat door zijn haar, zijn oogleden zakken.
Het proeft heel zuur, zegt hij.
Dat komt uit het diepst van je.
Ik trek de deken tot onder zijn kin, en als ik zie hoe klein zijn hoofd wordt, voel ik die rare pompende kracht weer die het plafond van mijn slaapkamer op en neer deed deinen, en die de sloot waar ik ’s middags nog was, en de weg naar school en ons huis tot achter de tijd en haar manen opblies, en daarna in me samenperste, waar het zuur was.
Zijn ogen zijn dicht gegleden.
Ja, die pompende kracht, dat je jezelf ziet liggen. Toen en nu, en daar en hier, in de vale duisternis van een klamme septembernacht met een lampje aan. Het enige lampje in de wereld zonder wind.

Een vlinder op de vloer

Er ligt een vlinder op de vloer. Niet ver van de openstaande deur. Hij kwam de kamer ingedwarreld en viel dood neer. Ik was er niet bij. Niemand. Alleen de vlinder, en de dood. Ja die was er ook bij.
Het was een mooi voorjaar, toen werd de zomer nog mooier en daarna werd het slecht. Nu is het nazomer en valt de vlinder neer. Jammer.
De schemerwind strijkt over de vloer. Ik schrik, de vlinder lijkt op te fladderen, maar hij slaat alleen om, als een bladzijde van een boek dat open ligt in een tuin. De vlinder slaat weer om.
De wind bladert heen en weer, van zomer naar herfst, terug naar de zomer. Van dag naar nacht. Naar dag. Heen en weer van leven naar dood, en terug naar leven.
Het is zo’n avond waarop de wind gaat liggen. We zullen zien. September, altijd mooi. Een beetje dromerig bladeren.

Ik of het beest

5 jaar geleden plantte ik een pruimenboom in de tuin. Ik had er zin in.
De boom groeide vervolgens wel maar bloeide niet.
Eerste seizoen, dacht ik, het leek me niet gek.
Het jaar daarop groeide er meer blad, en meer tak, verder niet.
Te koud, mompelde ik, of: slechte grond, teveel zand.
In de derde mei van de boom verscheen er bloesem, daarna kwamen er kleine gele puntjes, maar die stierven af.
Ik mompelde dat er teveel noordooster wind was geweest.
Vorig jaar mei was er een vrolijke bloesembui in de kruin, maar ook toen stierven de gele larfjes van de pruimen meteen af en ik zuchtte dat ook niets lukte.
Achteloos zag ik dit voorjaar de bloesem wegwaaien, maar een paar weken later ontwaarde ik opeens een vruchtje! Bijna iedere keer wanneer ik de boom passeerde, keek ik hoe het toch met de pruim ging. Het ging hem goed, pront, schitterend groen fluweel en al groter dan een druif.
Enkele weken later zag ik nog een pruim! Twee pruimen! Wat een voorjaar.
De eerste pruim werd in omvang ingehaald door de andere.
Het werd droog. Bijna dagelijks goot ik liters water onder de boom.
Van de tweede pruim haalde ik regelmatig hetzelfde beestje af. Het was zwart met gele stippen, het kleefde een beetje aan de vrucht maar liet los zonder dat ik het dood moest knijpen.
Twee dagen later haalde ik het er weer af, precies op dezelfde plek, en dan weer.
Langzaamaan kwam er een zwart vlekje op de mooie groene pruim. Ik werd bang voor de dag dat de huid van de pruim zo zacht was geworden dat het beestje er zijn kaakjes in kon zetten. Dat beestje moest weg, slechts twee pruimen maken je een gierig mens.
Net liep ik langs de boom en merkte op dat de eerste pruim geel en rood begon te worden. Maar zag ik het goed? Was die nou zo droog? Ik duwde mijn hand tussen de takken, en pakte tussen duim en wijsvinger de vrucht vast. Het stokje liet los, ik had het vruchtje in de hand.
Eén pruim nog, voor het zwarte beest met de gele stippen en mij. Wie van ons weet het juiste moment te vinden, op een mooie zomerdag?

Maar mag ik er nu dan langs?

Zijn roerloze schaduw valt op het verse, glimmende asfalt. Middenin de nacht; ik vraag me af waar de glans en de schaduw vandaan komen.
Het is een wonderlijk tafereel, ik rem ervoor af. Ook wanneer ik tot vlakbij hem gerold ben, beweegt de reiger niet. De kop schuin omhoog op de gestrekte hals, de snavel priemend in de duistere overspanning boven ons. Ik zie alleen zijn oog onrustig heen en weer gaan.
Ga je niet opzij, vraag ik zonder vraagteken.
Jij blijft toch staan, antwoordt de reiger. Zolang je niet over me heen fietst.
Dat is zo. Ik wilde even naar je kijken. Ik moest even denken aan de eerste verkeerszuil in ons dorp. Zo’n eigele, met een donkerblauwe cirkel, daarin een witte pijl rechts naar beneden, weet je wel?
De reiger reageert niet.
Een lampje in het blauwe vlak… Ik vond het een prachtige zuil en verbaasde me erover dat iemand ons dorp er rijp voor achtte. Ook op nieuw asfalt.
Je ziet ze nog wel eens, zegt de reiger kortaf.
Toch raar dat ik daaraan denk, mijmer ik.
Ik sta immers ook midden op de weg, zegt hij en het klinkt alsof hij zijn schouders erbij ophaalt.
Natuurlijk, maar misschien denk ik ook wel aan die eerste zuil omdat we ons destijds ook verwonderden over een reiger. De sloten lagen toen vol fosfaten.
Dat is voorbij, hè, zegt de reiger.
We wassen zonder fosfaten, knik ik.
Die verwondering, bedoel ik natuurlijk, bitst de reiger.
O, ja, zeker, zeg ik traag… Hoe is het voor jullie dat we onderhand een hekel aan jullie hebben?
Zullen we maar zeggen dat het niet alleen van jullie kant komt?
Het is wat veel, zeg ik.
We zorgen voor onszelf.
… Een jaar of tien geleden had ik een buurvrouw die tweemaal daags vanaf tweehoog eendagskuikens op het dak van de schuur gooide. Pets, pets, pets, in de plassen die op het dakleer lagen. Die reiger, jouw neef, zeg maar, kwam soms niet eens meer de lucht in, als een overladen Toepolev. Ieder kuiken in één klok naar binnen, je zag ze door die lange hals glijden.
Waar is dat? vraagt hij.
Dat zeg ik niet… Die vrouw is trouwens ook al dood, denk ik.
Jammer.
Even zwijgen we. Een donker brommen vertelt dat er een schip in het kanaal nadert.
En dat geschreeuw van jullie, zeg ik dan. Oppersatan in de laagste hel schrikt daar nog van.
We laten ons horen, ja. We hebben onze redenen.
Het is verschrikkelijk, schud ik het hoofd.
Voor het eerst beweegt de kop van het beest lichtjes.
En toch ben ik blij dat we hier even zo staan, zo midden op de weg, en midden in de nacht. Dat het weer eventjes bijzonder is, als de eerste verkeerszuil in ons dorp. De schaduw, dat roerloze. Het zinloze.
Juist.
Maar mag ik er nu dan langs? Dat we rustig uit elkaar gaan en dat je niet zo schreeuwt.
De reiger buigt de knieën, de vleugels spreiden zich en moeizaam vliegt hij weg.

Ik mis opeens mijn trompet

Ergens tussen de slapende kranen in de haven en de donkere lichtmasten van het FC St Pauli-stadion in mis ik opeens mijn trompet. De straten glimmen na een donkere dag. Wat zou het nu even fijn zijn om mijn buik, mijn lippen, de toeter en de lucht te laten trillen.
Drie dagen geleden liep ik bij Muller in de Raadhuisstraat binnen en vroeg naar dempers.
Wat wil je? Vroeg de man.
Miles, zei ik.
Natuurlijk.
Het wordt tijd, zei ik. Na anderhalve week wil ik eindelijk als Miles klinken.
Deze, hij haalde een demper uit de kast.
Gegarandeerd?
Gegarandeerd.
Ik draaide het ding in mijn handen rond.
Of wil je het nog proberen?
Hij pakte een gouden trompet uit de etalage, er bungelde een kaartje aan met 169,00.
De man drukte de demper in het instrument en zei: geneer je niet.
Ik blies, zo hoog en schel mijn lippen het toelieten.
De man ging ondertussen naar achteren. En ik vroeg me in de verlaten winkel af of ik als Miles klonk.
Een jongere man kwam toen van achteren de winkel in.
Je komt kijken omdat je zeker dacht dat hij opgestaan was uit de doden? glimlachte ik.
Nou, we zeiden achter dat ze de waterleiding weer aan het doorblazen waren. Nee hoor, het was beter.
Miles had natuurlijk ook een minder goede trompet. Ik legde het ding op de toonbank.
Vroeger kwam Chet hier altijd, zei hij. Die kocht dan een oost-duitse trompet van 300 gulden en verkocht die s avonds voor dik geld aan iemand uit het publiek. Maar ja, Chet kon ieder instrument goed laten klinken. Dan stond hij hier, hij wees op de plek vlak achter me, voor de vitrinekast met koperblazers, en dan viel hij terplekke in slaap. Zwaar leven, he. Ja, ik werkte hier toen nog niet, hoor.
We praatten nog even door en bleken behalve Chet en Miles nog meer gezamelijke kennisen te hebben van verweg en ver terug.
En nu ik door de straten aan de haven slenter in een stad waar ik niemand ken, mis ik mijn trompet. Even de lucht laten trillen. Zonder woorden spreken met niemand in het bijzonder.

In en uit

Daar ist’ie dan. Jarenlang broeide er iets in me, een impulsaankoopje is het niet. Ik weet waarom niet.
Gistermiddag opende ik de koffer, haalde het instrument eruit en duwde de pijp waarin je het mondstuk duwt in mijn neus. Ik snoof de muffige geur uit het binnenste van het toch gloednieuwe instrument en meteen hoorde ik een klok en de de breipennen van mevrouw Oost tikken. Zij was de vrouw van de voorzitter van de muziekvereniging. Ze keek steeds even op van haar breiwerk en knikte soms.
Ik zat in een grote stoel. Een gevernist voorjaarsavondlicht streek over de trompet in de handen van Oost.
Je aanwezigheid was niet altijd een plus voor de sfeer in het korps en voor de goede zin van de dirigent, zei de man.
Bedrukt keek ik toe hoe hij het huurinstrument dat ik in kwam leveren, al pratend onderzocht. Ook mijn afwezigheid tijdens de blaaskampen was hem -en niet alleen hem- een doorn in het oog. Ik wilde best zeggen dat dat de sfeer dan ten goede was gekomen, maar durfde niet.
En dat gedoe met het poetsen van het instrument, mompelde hij.
Hij liet de trompet traag omwentelingen maken, met zijn ogen liep hij het pijpenstelsel af waar ik jarenlang mijn lucht doorheen geblazen had, genoeg voor een hele najaarsstorm. Het zou niet lang meer duren eer zijn blik die ene plek bereikt had.
En dan dat uniform, zei Oost. Waarom zou je niet met je uniform aan over straat kunnen? Hij liet een stilte vallen, maar ik meende niet dat ik iets moest zeggen.
Een slap lid, zei hij toen. Maar omdat je goed kunt spelen wil ik toch… zijn woorden stokten, zijn blik bleef steken bij de ronding in de voorste buis. Een hitte gulpte door mijn lijf.
Aarzelend ging zijn wijsvinger naar de ronding en drukte daar tegen een grauwe en doffe vlek op de buis. Het tikken van de breipennen stopte. Gadverdarrie! riep de man uit. Dat is kauwgum!
Hij peuterde het stuk kauwgum van de buis en pookte wat langs de rand van het gat dat er mee gedicht was.
Daaruit ontsnapte lucht, zei ik zacht.
Pas toen hij opeens niet wist waar hij met de kauwgum heen moest, leek Oost zich weer bewust van zijn afkeer en boosheid.
Hoe lang zat dat er al in?
Een jaar of twee. Drie misschien, fluisterde ik.
Ga dan ook maar, zei hij luid.
Ik stond op, hij ook -met de rechterhand ver van zijn lijf. We gingen de gang in, daar verdween hij door de deur naar de keuken. Even stond ik alleen in de gang, luisterend naar de geluiden uit de keuken en kijkend naar de foto aan de muur waarop de man breed lachte met zijn tuba op schoot. Toen sloop ik naar de voordeur en opende die geruisloos. En nadat ik de deur zo zacht mogelijk achter me dichtgetrokken had, floot er een merel. Ik haalde zo diep adem dat het leek alsof ik al de lucht die ik door het instrument had geblazen weer in me terug wilde halen.

En nu, vijfendertig jaar later, trek ik de pijp uit mijn neus, duw het mondstuk erop en blaas. Meteen voel ik die heerlijke trilling. Na vijfendertig jaar alleen maar inademen, kan ik eindelijk weer eens blazen. Je moet beide doen, regelmatig, niet eerst jaren het een en dan jaren alleen het ander. Gewoon in en uit.

Nelson Mandela

In pakweg 1997 stonden we aan de Amstel te wachten. We wachtten op een boot die bij de Stopera van wal zou steken. In die boot zat Nelson Mandela. Merkwaardig genoeg stond er verder niemand aan de kade. Aan de overkant zette de boot zich eindelijk in beweging, maakte een draai en naderde ons waarop die langs ons gleed. Mandela praatte wat met Gullit, wie anders, met de rug naar ons gekeerd. De ramen van de rondvaartboot stonden open en als een kind riep ik: Mister Mandela! Hij draaide zich om, we staken de armen in de lucht, hij lachtte en zwaaide. Onze blikken raakten elkaar en er ging een huivering door me heen. Ik stond oog in oog met het hoogste wat een mens presteren kon. We glimlachten en de boot gleed door. Wij renden de grachtengordel in om steeds bij de volgende gracht Mandela weer langs te zien komen. Nu kan ik zeggen dat dit in een uurtje was waar het om gaat: rennen om steeds weer het beste, mooiste en hoogste in de ogen te kunnen zien.

Er is veel dat went

Eergisteren had ik het voor het eerst sinds maanden weer eens koud. Ik zat op de fiets, ergens in Het Gooi, het regende. Het voelde lekker. Anders en toch bekend.
Eerst werd mijn huid door de klamme kou in mijn kleren gestreeld, maar daarna begon de kou mijn vlees in te trekken. Om warm te worden begon ik harder te fietsen. Zo hard dat ik een man achterop kwam. Dat gebeurt me zelden. Aarzelend bleef ik dan ook wat achter hem hangen, omdat ik vermoedde dat snel zou blijken dat hij eigenlijk veel harder ging dan ik. Maar na een tijdje merkte ik dat de koude me zo op de hielen zat dat ik de man toch in moest halen om mijn kachel op te poken. Hij had al een paar keer opzij gekeken, hoorde het suizen van mijn banden en derailleur achter zich.
Terwijl ik hem passeerde keek ik naar hem en groette. Pas toen ik hem voorbij was realiseerde ik me dat hij Herman Heinsbroek was. Toen hij me echter niet meteen weer inhaalde, begon ik daar meteen aan te twijfelen.
Bij een rotonde keek ik achter me, daar in de verte was hij nog te zien. Hij leek me iets te dik, maar televisie maakt immers slank. Hij had heel veel auto’s waarmee hij moest rijden, peinsde ik, en dat hij uitgerekend als het regende dan de fiets nam – die hij natuurlijk ook best had – dat leek me ook raar. Nee, het zou hem vast niet zijn. Maar toch.
Ik vertelde niemand dat ik iemand die op Herman Heinsbroek leek in had gehaald, wel dat de kou best weer eens lekker was en dat we er wel weer aan zouden wennen. Maar Herman Heinsbroek inhalen, dat went nooit, zei ik daar in mezelf achteraan.