Category Archives: korte stukjes

kleine vertellingen

Het Kleine Requiem

e-flyer-kleine-requiem_mus

Het Kleine Requiem. 2 november

“… En toch, toen ik naast mijn opa stond en keek hoe zijn vlezige hand het mes met veel boter over het beschuit liet raspen, zei iets zonder woorden me dat ik moest onthouden wat ik zag en dat ik moest zien om te onthouden. In de tuin kreunde een kip en mijn opa haalde het mes langs zijn uitgestoken tong.”
Een poëtisch vlechtwerk van gesproken en gezongen woord.
Liederen van Jacques Brel, Sandy Denny, Gabriel Faurré en Georg Friedrich Händel.

Hans Veldhuizen – piano | Anthony Heidweiller – zang | Jabik de Vries – tekst/verteller

Triptiekje

Zoontje J. zegt de laatste tijd opvallend vaak dat ik alles weet. Hij is 10. Ik dacht dat ook van mijn vader, maar weet niet goed meer wanneer ik van mijn geloof viel.
Mijn vader zei weer regelmatig dat Cruijff alles beter wist.
Ik leerde dat dat een uitdrukking was.
Als je zoiets opmerkte dan wist je meer dan degene die alles beter weet, meende ik.
Boven deze verwarrende zoektocht hing bij ons thuis iets dat altijd hoger was. Dat hield mijn gedachten een beetje bij elkaar.
Terwijl voor de Westerkerk in de kou sta, in afwachting van de Johannes Passion, dood ik de tijd met het aanmaken van dit stukje.
Ik maak een triptiek, bedenk ik: in mijn facebook-tijdlijn zoek ik naar de tekening die mijn vader in 1974 van Cruijff maakte.
In mijn jeugd speelde zich een jongensjarenlange wedstrijd wie-het-beter-weet af tussen de grote 3: God, mijn vader en Crruijff.
Nu ze er alledrie niet meer zijn kan ik aan mijn zoontje J. slechts zeggen dat je van alles kunt weten maar weinig kunt begrijpen. Maar ik weet ook dat zoiets weer ontzettend wijs klinkt. Triptiekje klaar. Timpaantje erop: Nescio. Het is koud.

Over een shirt dat niet zo mooi blijkt te zijn

Dik dertien jaar geleden kocht ik een shirt.
Omdat ik geen zin had mezelf af te pellen in een stoffige kleedkamer, gokte ik de maat. Het was maar een shirt, het kwam zo precies niet.
Toen ik het ‘s avonds thuis probeerde bleek het te klein. Eigen pech en schuld gehad. Moest ik nu terug naar zo’n winkel en had ik bonnetje nog en kreeg ik dan een tegoedbon?
Wat sullig stond ik met het te korte shirt aan in de woonkamer. In een hoek stond de box met daarin zoontje P in een spartelpakje.
Hij was een soort huisdiertje waarvan je je niet voor kon stellen dat hij langer dan een meter zou worden, dat zijn pink zo lang zou worden als zijn voet nu. Toch, als ik goed nadacht wist ik dat de tijd ook door de spijlen van deze box glippen kon.
Ik legde het shirt onder in de kledingkast.
Zo nu en dan, bij opruimen van kasten, dook het shirt weer op. Bij verhuizingen ging het in de zakken mee. Ik vouwde het soms opnieuw op. Daarna vergat ik weer en werd het herfst, of zomer, of kerst, en werd Pim Fortuyn vermoord, of scoorde Robin van Persie tegen Spanje.
Een paar weken geleden dook het weer op. Vanochtend was het zover. Ik gaf P het shirt en zei: pas eens.
Verbaasd trok hij zijn slaaphemd uit en trok het shirt aan.
Het was zover, het shirt pastte, het kind ook.
Ik vertelde hoe het tot vanochtend gekomen was.
P zei: ik vind het niet zo’n mooi shirt.

Nog een goed gesprek

Mijn rekje zit aan het voorwiel vast. Jouw rekje niet, zegt hij. Waarom?
Dit is handig, antwoord ik. Alleen het voorwiel gaat heen en weer. Als jij voorop het rek zit dan slinger je niet naar links en rechts door de bocht. Je zit dus altijd recht voor me. Zo houd je mij uit de wind. Dat fietst lichter.
Maar ik ben zwaarder.
Toen je kleiner was en je op het zadeltje op de stang zat, dook ik achter je als het sneeuwde. Jij werd dan helemaal wit en als we afstapten, zat er een donkere plek op mijn borst, buik en bovenbenen. Dat was jij.
Grappig, zegt hij… Maar is het fijn, dat rek zo?
Het is een groot succes. Zoals eigenlijk mijn hele leven.
Is dat zo?
Ja.
Heb je nooit pech?
Alleen maar heel veel onpech.
Wat is dat?
Het tegengestelde van pech.
O.
Pech is als je er niks aan kunt doen, zeg ik.
Ja… Onpech, dat is dat je er wel iets aan kunt doen?
Of onpech is mazzel. Kun je ook niks aan doen, maar dan dat het geen pech is.
We gaan linksaf de brug op. Hij houdt de klep van zijn baseballpet vast.
Succes, daar doe je wat aan, zeg ik.
En jouw leven is een succes, zegt hij.
Ik lach. Mijn leven is alleen een succes als ik mazzel heb.
Dan moet je er iets aan doen.
Of niet. Ach. De sneeuw kun je van je kleren afslaan, de donkere vlek die jij op mijn kleren was, die kon ik niet van me afslaan. Niks aan te doen.
Ik wil ook zo’n rekje.
Dat kan ik me voorstellen. Het is veel stabieler.
Jij bent toch wel eens gevallen?
Jawel.
En je hebt wel zo’n rekje.
Heel dikke pech.
Ja… Hoe schrijf je pech?
Pee-ee-see-haa.
Gek.

Dit had ik moeten schrijven

Er is een stukje dat ik had moeten schrijven. Dat stukje is er dus niet. En toch. Ik schreef het in mijn hoofd. Soms gebeurt dat. Je staat ergens, er zijn dingen om je heen, niet dat er iets gebeurt, en in het hoofd begint een typemachine een stukje te schrijven. Soms pak ik dan mijn telefoontoestel en schrijven mijn vingers mee. Soms ook niet. Dat is niet erg, maar het blijft me dwars zitten dat ik het laatst niet deed. Zo is er dus een stukje dat ik had moeten schrijven.
Het was eind februari en het ging zo:
Van winterklaar maken heb ik nooit iets begrepen. Het kan komen doordat ik weinig van tuinieren weet, maar ik denk dat het vooral komt omdat ik geen afmaker ben.
Ik sta in de tuin en gooi de resten van het vorige groeiseizoen op een hoop. Het is geen afmaken, maar het is beginnen.
Niet dat het vanmiddag al voorjaar is, nee, vanmiddag wordt het voorjaar. Als longen die leeggezucht zijn, net voor een nieuwe ademhaling. Het moment dat er een zwaan aan het oude riet begint te trekken. De zwaan is nog bruinig, die heeft net zijn eerste winter gehad en het viel wel mee, maar toch fijn dat het zo’n middag is. Met een soort sabbelen zoekt de snavel vastigheid aan het riet en dan doet de hals een vinnige ruk. Het klinkt een beetje zoals het losrukken van de brandnetels die nu achter me op de hoop liggen.
Ik ga op het bankje zitten, vlak bij het riet, de zwaan gaat onverstoorbaar door. Kijk, zeg ik tegen zoon P die de tuin in komt lopen, deze waaide hier vorig jaar als kuiken langs. P draait zich zwijgend om, en dat hoort erbij.
De zwaan sabbelt en scheurt door. In hem lijkt een drift zonder haast. Ja, het is hetzelfde als in mij. Het is niet dat het voorjaar is, maar dat het voorjaar wordt. Er komen er ieder jaar maar een paar middagen van, meestal zijn het zelfs maar halve middagen, soms is het maar een uur, dat de kille wind rimpels op het water blaast en de lage zon er een blauwe gloed op legt nadat de winter het maanden had laten roesten, en ergens anders begint het lange maar doodse gras te bewegen en te glanzen. Een scholekster roept iets.
Ik zou mee willen schrijven, maar het is er te kort voor. Juist de dingen waarin geen en-toen en-toen is, kosten de meeste woorden. En juist daarom wil ik nadien dat ik meegeschreven had.
Ja, zo gaat het.
En nu is het al april en ik weet niet wat zich nu aan gaat dienen waarvoor het nog te vroeg is en wat te kort is om mee te schrijven. We moeten deze dingen maar zien en ze onthouden.

Een goed gesprek

jabik de vries een goed gesprek

Bij de foto:

Onder de rechter maan wordt huiswerk Grieks gemaakt, in het schijnsel van de linker maan wordt de Donald Duck gelezen.
Onder de rechter maan vraag ik of het goed gaat. Dat gaat het.
Dan klinkt vanuit de halo links: ik begrijp niet hoe de mensen begonnen te praten.
Ik probeer door mijn spiegelbeeld heen uit het raam te kijken, het is vijf uur en de wereld is zo zwart dat er niets in kan zijn. Hooguit het woord, denk ik.
Waarschijnlijk begrepen mensen dat ze elkaar nodig hadden, zeg ik langzaam. Dan moet je elkaar begrijpen.
Was het eerste woord ‘ik’?
Omdat ‘ik’ het belangrijkste is? En je eerst aan jezelf denkt?
Het is het kortst, zegt hij.
Aan de overkant wordt een lamp aan gedaan. Meteen ligt er op het water een rimpelloze spiegeling van, die het zwart peilt.
… En daarna werden de woorden langer?
Ja.
Zo kun je aan de lengte van het woord de leeftijd ervan schatten, peins ik.
De mensen worden toch ook steeds langer.
Ik knik, denk even aan de bosnimf Echo, aan de andere kant van de muur.
Gesprekken worden dan ook steeds langer, zeg ik.
Hij komt naast me staan, we staren naar buiten. Hij heeft zijn pyjama al aan gedaan.
Steeds langer. Tot er nooit meer een eind aan komt, als de woorden langer dan de tijd zijn geworden.
In de spiegeling van het raam zie ik aan een kleine beweging van zijn hoofd dat hij naar zichzelf kijkt, ook zie ik de vooruitstekende losse tand. Hij zegt niks terug, maar ik hoor zijn adem van het glas terugkaatsen. Een eend verbrijzelt de spiegeling van de lamp tot honderd maantjes.
Dat stille, dat vroege donker van de wintermiddag, zeg ik dan. Alsof we nergens meer bij horen.
Ja, we moeten hard roepen.
Ik zou nu niet weten of dat dan een kort woord is of dat we al aan een lang woord toe zijn.
Of middelmatig, zegt hij.
Of middelmatig, ja. Daar zullen we nu zo ongeveer wel zijn. Onze woorden zijn nog niet langer dan de tijd.

Een schitterende dag

Het was een schitterende dag. Niet dat iedereen de hele dag lachte, of zelfs maar glimlachte, en in het dorp Middelie liep een zware hond met aan zijn achterpoot grote gezwellen waarvan de helft bloedde. Veel was dus normaal, maar het licht schitterde. Aan de berken blikkerde bladgoud, in de bermen lag goud en goud waaide over wegen.
Ik kwam aan het meer, ook het riet was goud, en het water kleurde koperroest.
Ik moest aan vroeger denken. Ik denk ook wel eens aan later, maar makkelijker vind ik het te denken aan de tijd dat ik nog leefde. Alles om heen had dezelfde kleuren als wanneer we vroeger de laatste tocht met de boot maakten, om die op de wal te trekken.
Een zee van bij elkaar gekomen meerkoeten lag op het water. Zoveel dat de wind ertussen geen rimpeling meer maken kon. De zwarte vogels weerspiegelden in het water waarmee ze zich voor het laatst in het seizoen vermenigvuldigden.
Als de boot eenmaal op de wal lag en het al ging schemeren, werden boven ons de spreeuwen magnetisch. Zwijgend luisterden we naar de momenten dat 11002 spreeuwen opeens omkeerden en 22004 vleugels prfft deden.
Ergens was een houtkachel aangestoken.
Het licht verdween en ik dacht dat de schittering nooit meer te zien zou zijn.
35 jaar later is die er nog steeds. Maar over 2 weken, wanneer de bladeren geen kleur meer hebben, zal die er niet meer zijn. Zelfs al lacht iedereen dan de hele dag en is de hond in Middelie genezen.
Pas over een jaar weer, en ook over 35 jaar weer, wanneer er boten op de wal getrokken worden en meerkoeten zich verzamelen.
Eigenlijk is aan later denken helemaal zo moeilijk niet.

Hoe mijn moeder tussendoor een Elfstedentochtwinnaar maakte

Mijn moeder had een werkzaam bestaan.
In de laatste jaren voordat ze trouwde met de man die mijn vader zou worden, werkte ze “op kantoor” twee dorpen verderop.
Dat dorp groeide onstuimig door de komst van een scheerapparatenfabrikant. Het was pakweg 15 kilometer fietsen. Ze deed dat zes ochtenden in de week, op zondag niet.
Als ze ‘s avonds thuiskwam, zorgde ze voor de mensen die later mijn opa en oma bleken te zijn. Ze hadden een zwakke gezondheid. Als oudste inwonende dochter kookte mijn moeder, deed de was – met de hand- , het stof, de tuin en noem maar op.
‘s Ochtends om 7 uur stapte ze dan weer op de fiets, op weg naar kantoor.
Vanaf de kant van het veendorp Tijnje doemde er in de winterse duisternis dan een fietslichtje op.
Mijn moeder draaide de altijd verzakte Swynswei op en samen met de man van wie het fietslichtje was, fietste ze naar het kantoor in het dorp waar de scheerapparatenfabriek stond. Hij was daar onderwijzer, geloof ik.
Ze hadden de vaart erin. Mijn moeder had haast, zij moest die dag nog zoveel doen.
In 1954 won die man De Elfstedentocht. Zijn benen waren ijzersterk, zijn kuiten gehard doordat hij ‘s ochtends mijn moeder bij probeerde te houden, die haast had, ze moest nog zoveel doen.
Mijn moeder is al 6 jaar dood. Ze wist weinig meer, maar een van de dingen die ze nog kon vertellen was dat ze zoveel te doen had en zes ochtenden in de week op de fiets stapte.
Gisteren overleed die man.
In de verhalen over hem ben ik nergens tegengekomen hoe het allemaal zo gekomen is: die overwinning op De Bonkefeart van Jeen van den Berg.
Zo dus.
Dag mem.

Koorts

Ondanks dat hij niks zegt, word ik wakker. Hij staat naast me.
Ik voel ineens de koude klamheid van de septembernacht, die lijkt op de koude koorts die ik een paar nachten had.
Ik moet kotsen, zegt hij.
Het doet me overeind schieten. Kom maar snel.
Ik heb het al gedaan, in bed.
In zijn kamertje haal ik het beddengoed af, hij zakt neer op het dekbed dat op de vloer ligt. Ik haal een bak, zet die op bed en hij gaat liggen.
Meteen komt hij weer overeind, gaat op zijn knieën zitten en hangt zijn hoofd boven de bak.
Mijn hand gaat zacht over zijn rug die hard is als de schil van een schildpad, zijn maag pompt met de trage kracht van een zwemmende kwal.
Als hij weer gaat liggen, kijkt hij glazig de gele schemer van zijn kamertje in.
Ik zou het cool vinden als er nog een planeet wordt ontdekt, zegt hij lodderig.
Heel verre sterren, daar zien ze er steeds meer van. Oude sterren.
… Heeft Pluto de vorm van een snuit?
De planeet was er eerder dan de Donald Duck, zeg ik.
Mijn hand gaat door zijn haar, zijn oogleden zakken.
Het proeft heel zuur, zegt hij.
Dat komt uit het diepst van je.
Ik trek de deken tot onder zijn kin, en als ik zie hoe klein zijn hoofd wordt, voel ik die rare pompende kracht weer die het plafond van mijn slaapkamer op en neer deed deinen, en die de sloot waar ik ‘s middags nog was, en de weg naar school en ons huis tot achter de tijd en haar manen opblies, en daarna in me samenperste, waar het zuur was.
Zijn ogen zijn dicht gegleden.
Ja, die pompende kracht, dat je jezelf ziet liggen. Toen en nu, en daar en hier, in de vale duisternis van een klamme septembernacht met een lampje aan. Het enige lampje in de wereld zonder wind.