Ik zie geloof ik een trekker met een BH, zei hij. Ik keek snel achterom, maar zag niets, zoals ik al meer had gemist van wat hij zei. Zijn opwinding stuwde een nergens haperende woordenstroom uit zijn mond.
Voor Jelmer was de grote dag gekomen, en voor mij eigenlijk ook. In de luchtbelletjes van zijn verhalen zweefden mijn eigen gedachten. Ik dacht aan een kamp van school: een jaar of veertien moet ik geweest zijn, toen jongens gitaar speelden en zich daaromheen groepjes vormden van kinderen die luisterden. Ik hield mezelf voor dat het maar House of the Rising Sun en Hey Jude was dat ze speelden, maar het deed niets af aan mijn gevoel dat ik ergens aftuimelde. Speel jij geen gitaar? vroeg meisje A. me nog. Ik mompelde iets om een directe ontkenning te ontlopen; beginnen over de koperblazers die ik bespeelde, of dat mijn kennis van het notenschrift volledig op orde was, dat ik wist wat kwinten en tertsen waren, ging natuurlijk niet.
Toen ik 16 werd, kreeg ik een gitaar op mijn verjaardag, maar House of the Rising Sun probeerde ik er nooit mee te spelen. Ik heb de gitaar nog steeds: ook Hey Jude is in al die jaren nooit het klankgat uit gegulpt.
Eigenlijk werd het er vanaf het bezit van een gitaar alleen maar moeilijker van. Ik kon gitaar spelen, knikte ik dan, maar vaagjes, omdat ik wist dat de volgende vraag me in verlegenheid zou brengen. Speel dan eens iets. Ik bespeelde het instrument altijd stiekem op mijn eigen manier en daar had je dus niets aan. Zo liet ik overal mijn beurt voorbijgaan.
Vanmiddag was er volop opwinding. Alles werd anders. Ik fietste met Jelmer naar de leukste gitaarwinkel in de stad. Na 12,5 jaar vaderschap, met 2 zoons, gaat er eindelijk gitaar gespeeld worden. Jelmer gaat dat doen met een echte gitaarleraar en ik hoop dat hij geen gekkigheid in zijn hoofd krijgt, zoals je als vader wil dat je kinderen het beter gaan krijgen. Ik wens hem alle Hous-of-the-rising-suns toe die hij maar pakken kan.
Op de terugweg zei hij: hoe zou Pieter zijn nieuwe broertje vinden? Ik wist dat hij begreep wat een gitaar met een man kan doen.
Even later keek hij naar hoe zijn 3/4 gitaartje in een hoes op mijn rug hing. Hij zei: Straks denken de mensen dat het een banjo is.
Tja, zei ik, dat heb ik dan weer.
Categorie archieven: gedaan
In het midden
Kun je voor of achter een stadje staan, als daar de Televisietoren staat? Sta je dan niet in het midden? De gedachte gaat even door me heen wanneer ik op een splitsing aan de rand van Hilversum met de telefoon in de hand sta, om mijn route te bepalen. Er is geen 3G. Er is ook nauwelijks licht. De drie wegen die op de splitsing uitkomen hebben zich een weg door dichte bossen gebaand.
Een man stopt naast me. Hij zit op een Gazelle van hetzelfde type als de laatste fiets van mijn moeder. Hij draagt een kaki-kleurige petje, een dikke bril, en als hij begint te praten, blijken zijn tanden rommelige stompen te zijn.
Zestig kilometer, dat is mijn verste, zegt hij. Als kind dacht ik eens dat ik in drie dagen wel naar Antwerpen kon fietsen. Ik ben weg gegaan maar toen stond ik drie dagen later in het dorpje van St. Bernadette in de Pyreneeën. Dat was iets verder. Nee, dat klopt ik was geen kind meer. En ik was met de Thalys. Het dorpje van Sint Bernadette van Mieke Telkamp, kent u dat?
Ik zeg dat ik Mieke Telkamp ken, maar dat lied niet.
Toen had je veel leuke Nederlandse liedjes. De kat van ome Willem.
Cocktail Trio, was het niet?
U zegt het… Domme Sammy.
Ramses Shaffy.
Ja, die had je ook… De nonnen van St. Bernadette hebben me gered. Ik ben decennialang ziek geweest. Nu ben ik weer gezond. Nou ja, ik heb nog kanker, maar dat is het minste. Het zit overal, al veertig jaar. Sinds vijf jaar eet ik alleen goed wit- en bruinbrood, met honing en melk. Verder mag ik niets.
Van wie niet?
Van mezelf. Ik neem nog wel vitaminepillen, VP noem ik die. Mijn zuster verstrekt die. Televisiekijken mag ik ook niet meer.
Ook van uzelf?
Ik mag niet staren. De kanker zit ook in mijn ogen. Maar ik zie beter dan ooit. Weet u, ik geniet volop. Ik doe zelf mijn eigen huis en ik fiets iedere dag. Ik had geen gemakkelijke jeugd, maar het gaat beter dan ooit.
Boven de boomtoppen uit, zie ik de Televisietoren de lucht in prikken. Vanaf daar worden aanhoudend signalen over ons heen gejaagd: mensen die zich afvragen hoe het nu verder gaat, een doelpunt, een bos waar iemand gevonden wordt, en kind dat een lied zingt als een volwassene.
De zon breekt door, hij schijnt op uw gezicht, zegt hij dan. Om ons heen warrelen vale vlekken over de grond.
Hij kijkt op zijn horloge: Elf uur geweest. Toen ik hierheen fietste, dacht ik al dat dit een mooie plek zou zijn om om elf uur te staan, of net even na elven.
U had gelijk.
Ik ga verder. Ik wens u een fijne sportdag.
Hij rijdt weg en roept achterom kijkend: O ja, broccolisoep, dat eet ik ook. Iedere dag, maar het verveelt nooit.
Terwijl ik naar huis fiets, spelen zijn woorden steeds door mijn hoofd: een mooie plek om om elf uur te staan. Of even na elven.
De televisietoren kan spuwen wat die wil, maar wij stonden op een mooie plek. Middenin. Zo middenin dat alles over ons heen vloog zonder dat we iets misten. Even na elven.
Op vleugelkes
‘Meneer, uw vleugelke is losgegaan.’
Het is een van de mooiste dingen die tegen me gezegd zijn, denk ik in een ondeelbare tel. En dat nu ik me zo zwaar voel.
Ik kijk achter me en word gepasseerd door een oude man in een fel roze Lampre-shirt. Ik stop en draai mijn achterwiel vast.
Als ik weer fiets zie ik een stuk voor me de pezige man rijden. Ik verwacht dat de afstand tussen ons snel zal groeien maar het valt mee. Ik schakel terug en neem een paar heuze haarspeldbochten.
Boven staat de man te wachten. Hij houdt me staande. ‘Maakt u een foto van mij?’
‘Vanzelfsprekend.’
De man houdt zijn iPhone op een bord gericht dat ons welkom op de top heet. Zijn fiets staat ertegenaan. Hij laat me het kader zien. ‘Zo moet u mij fotograferen. Ik word gesponsord. Ik heb al zes fietsen van hun.’ Hij knikt naar zijn fiets. ‘Dit is voor op hun site. U moet op dit knopje drukken.’
Ik maak de foto.
‘Ik was een goed klimmer. Kent u La Marmotte? Dat is een koers met vier cols. die won ik in 84. Ik was lang ziek. Sinds gisteren fiets ik terug. Tien keer won ik de Alpe d’Huez. Zegt u dat iets? Waar komt u vandaan.?… Ach dan zal ik eens iets vertellen. Weet u hoe vaak ik de Alpe d’Huez opgereden ben? Nee? 164 keer. Ik ben nu halverwege. Ik woon in Tongeren. Da’s 50 kilometer terug. Ik heb eens 18 jaar de fiets niet gepakt. Allez. ik moest gaan.’
Daar verdwijnt hij, in het heerlijke landschap van zelfingenomenheid. Ik zie hem de paal passeren die het hoogste punt van ons land aangeeft en weet dat hij moet dalen. Jammer, ik wou dat hij altijd hoger kon, op zijn vleugelkes van trots.
nenawz
Waarom de krant zo laat komt
De ochtendkrant is weer laat. Dat gebeurt meer. Soms komt die pas als we al vertrokken zijn. Ook het avondblad laat vaak op zich wachten. In het gebruik wordt de ochtendkrant soms het avondblad en andersom.
J. (7) en ik stappen op de fiets, op weg naar school. Het is guur.
Gelukkig, we hebben de wind in de rug, zeg ik.
Ja, gelukkig, beaamt J.
Ik vraag of hij het verschil goed merkt.
Ja, met de wind in de rug krijg ik altijd jeuk onder mijn oksel.
O.
Op school gekomen, trekt J. zijn laatje open en geeft me wat in elkaar gevouwen bladen.
De krant! roep ik uit. Kan ik die toch nog lezen!
Binnenin de krant staat dat er een dikke brand was en dat er een ongeluk gebeurd is. Verder is het nog leeg.
Een rustige dag, zeg ik.
J. vertelt dat hij nog wil schrijven dat er iemand dood is. Weet jij nog iemand die dood gegaan is? Natuurlijk niet opa of oma, maar een belangrijk mens.
Ik peins een tijdje over een onlangs bekende en aansprekende overledene. De paus, schiet me opeens te binnen, maar meteen ook bedenk ik dat die weliswaar opsteeg, maar dat het met een helikopter was, levend en wel.
Schrijf en teken in de Fokskrant anders dat de papen een nieuwe Paus hebben.
Nee, zegt J, dan moet ik immers wit op wit tekenen, met al die jurken, dat gaat niet.
Je kunt het gewoon in lijn doen, suggereer ik. Met een potlood.
Mwaa.
Opeens besef ik hoe moeilijk het is een krant te maken, en dat het geen wonder is dat die soms te laat is. Als je even geen bekende dode kunt bedenken, of als de jurk van de paus moeilijk met wit op wit te tekenen is, dan stappen de mensen ondertussen al op de fiets en rijden met wind mee de dag in. En als ze dan jeuk onder de oksel hebben, lees je dat niet in de krant, want daar staan alleen verhalen over tegenwind in. Maar bedenk wel dat je met tegenwind tenminste geen jeuk onder je oksel hebt.
Tipex of Ctrl-Z
De wereld verdwijnt onder sneeuw, ik moet aan Tipex denken, en als ik aan Tipex denk, denk ik aan het wederopbouw-portiek op de foto. Ik nam die enkele weken terug omdat ik er halverwege de jaren negentig pakweg anderhalf jaar woonde. Ik kwam er voor het eerst sinds jaren langs.
Achter de deur links woonde buurman H. In de dagen dat ik mijn nieuwe huis een beurt met de witkwast gaf, maakten we in het portiek kennis met elkaar. Hij was groot, maar vooral breed. Hij droeg een t-shirt met erg korte mouwen, er staken twee zeer gespierde armen uit. Zijn schouders liepen hoog naar ergens in een dikke nek. Aan een daarvan hing een sporttas. We gaven elkaar een hand en ik voelde me klein.
In de tijd die volgde, kwam ik er in gesprekken van zes zinnen op de trap achter dat hij enkele uren per dag in een videotheek werkte en de rest van zijn tijd in een sportschool doorbracht. Ik zei dat het niet aan hem te zien was dat hij in een videotheek werkte.
Op de deur van buurman H. zat een naambordje waarop onder zijn naam een vrouwennaam stond. Het duurde lang eer ik de vrouw met die naam voor het eerst zag, en daarna kwamen we elkaar zelden tegen.
Toen ik op een dag thuiskwam, viel mijn blik op het naambordje: de naam van het meisje was met Tipex weggewerkt. Aan het einde van de haal zat een verdikking van het goedje. Een gestolde druppel, alsof er een traan zou komen, maar kom, het moest ook niet te gek worden.
Ik stak de sleutel in mijn voordeur, keek nog eens om en vroeg me af wat buurman H. met Tipex moest. Ik kon me niet voorstellen dat hij ’s avonds zat te typen op een Remington of Olympia.
Het bordje met Tipex bleef er maanden hangen, tot er op een dag een nieuw bordje kwam, met onder de naam van buurman H. een nieuwe meisjesnaam.
Als je een typefout maakte en het potje Tipex pakte, wist je dat de fout weliswaar weggewerkt werd, maar dat het ook sporen achterliet. De enige manier om van die sporen af te komen was het papier uit de machine trekken en er een nieuw in rollen. Uiteindelijk deed je dat zelden omdat de kans dat je ook daarop een fout maakte groot was. Je deed het alleen als het te erg werd en je wist dat het op een nieuw vel zo erg niet zou worden als op het oude. Dat dacht ik toen ik met de sleutel in de hand naar het nieuwe bordje op de deur stond te kijken.
Toen ik een paar weken geleden de foto van het portiek nam, liep ik de trap op, benieuwd naar een naambordje op de deur. Daar hing het, de naam van buurman H, met daaronder een vrouwennaam. Ik groef in mijn geheugen; het kwam me niet raar voor dat het het bordje was dat er hing toen ik de woning lang geleden achterliet. Het leek erop dat H. foutloos door het leven was gegaan. Maar het kon ook zijn dat de Tipex op was, of uitgedroogd. Of dat hij nu op zijn nieuwe HP Pavilion G6-2005SD 15.6” laptop met Windows 7 Home Premium met zijn grote vingers de toetscombinatie Ctrl-Z probeert, en merkt dat er weliswaar geen spoor van fouten meer zichtbaar is, maar dat er toch pijn blijft over iets waarvan je de stappen niet ongedaan kunt maken.
Spreekbeurt
Terwijl ik dit schrijf, houdt zoontje J. een spreekbeurt op school. Vóór de kerstvakantie zei hij dat hij zijn klas iets over hockey wilde vertellen. Ik knikte gelaten. Een 7-jarige moet je helpen met een spreekbeurt, maar de hockeysport heeft minder mijn interesse dan bijvoorbeeld de vliegende eekhoorn of Vlaamse reuzen. Tijdens de kerstvakantie kreeg ik hoop op een interessant nieuw onderwerp, dat was toen we op eerste kerstdag bij het graf van mijn ouders stonden.
J. vroeg hoe het mogelijk was dat er twee mensen in zo’n kleine begrafenis lagen. Ik vertelde van diepe graven, wegterende kisten en dat zijn grootouders bovendien op elkaar lagen.
Ik legde uit dat in de steen aanvankelijk alleen de naam van zijn opa stond en dat daarna die van zijn oma er bij gehouwen was. Mijn wijsvinger gleed over de scheidslijn waar het werk aan de eerste naam opgehouden was en dat aan de tweede begon. Daarna speurden we naar fossielen in de steen: schelpjes, een soort oorkruipertje. Ik veegde nog het vogelpoepje dat altijd op dezelfde plek ligt weg -zo, en maakte nog een foto.
Sinds het bestaan van mijn ouders in bijna onveranderlijke steen gebeiteld is, maak ik regelmatig een foto. Ik heb er meer van dan van de laatste jaren van hun veranderlijke bestaan in vlees.
J. pakte zijn iPod en maakte ook een foto. ’Hier ga ik mijn spreekbeurt over houden!’ riep hij.
Als vader die een 7-jarige daarbij moet helpen zou ik hier veel meer over weten te vertellen dan over de hockeysport. Even was ik verheugd, maar voelde ook dat ik me misschien verheugde op iets wat beter was niet te doen.
We verlieten de begraafplaats, J. keek om zich heen en zei nog: wie doet er nou een begrafenis in een winkelcentrum?
Gisteren oefenden we de spreekbeurt. Op tafel lagen scheenbeschermers en een bitje. J. vertelde dat deze dienden om je tegen pijn en beschadiging te beschermen. Hij stak ter demonstratie zijn bitje in de mond en gaf me een blauwe grijns. Ik knikte goedkeurend en dacht dat het zo goed was. De steen had ons verteld dat het vlees uiteindelijk niet meer beschermd kan worden, maar voor 7-jarigen is het voorlopig beter te geloven dat je met een bitje en scheenbeschermers het leven onbevangen tegemoet kunt treden.
Made anywhere
Moet je er niet heen, vroeg vriend Tim van de week, toen ik ergens op een orgel Child in Time inzette. Naar de HMH, volgende week, verduidelijkte hij.
Deep Purple is in de stad. Ik proef de woorden nog even. Ooit, zouden ze me bijna hartkloppingen bezorgd hebben, maar toen woonde ik nog niet in de stad.
Nee, toen woonde ik in een provincieplaatsje. Deep Purple zou daar nooit komen. Dat wist ik. Toch was Deep Purple er altijd, live. ’s Middags uit school. Het was alleen een elpee, en die heette niet Made in Drachten.
Niet dat er in ons dorp niets gemaakt werd: over de hele wereld scheren mannen zich met apparaten die in ons dorp gemaakt worden, en daar waren we trots op. De mooiste vitrine in het streekmuseum is die met alle types scheerapparaten door de decennia heen. We hadden een plek in de wereld, ook al schoren de mannen van Deep Purple zich slecht.
Maar goed, de elpee waarmee Deep Purple altijd in ons dorp aanwezig was, heette dus niet Made in Drachten, maar Made in Japan. Het was de elpee waarmee ik Deep Purple leerde kennen en waar het eigenlijk ook bij bleef. De liefde was echter groot.
Er is iets bijzonders aan de liefde voor een band die zich tot een live-plaat beperkt. Live-elpees zijn meestal het gevolg van studioplaten. Bands spelen zelden nieuw materiaal voor publiek omdat niemand daar van houdt. Je moet de houvast hebben van de studioplaten om een concert te waarderen, live-elpees zijn alleen aan te horen als je de liederen die je al van studioplaten kent er doorheen hoort. Een kort gitaarstukje op de studioversie wordt een gitaarsolo, een zanger die de melodie ombuigt: alleen interessant als je het echte lied kent, want het is meestal gepruts waar je bij had moeten zijn.
Dat is misschien de kracht van de live-elpee: je had er bij moeten zijn.
Soms was ik er bij als er een band speelde, maar dan nog vroeg ik me vooral af waar ik had moeten zijn. Ik keek om me heen en dacht dingen als: daar staan we dan.
Maar Made in Japan is de plaat die je niet toeschreeuwt dat je erbij had moeten zijn, jij daar in je provincieplaatsje, jij had in Osaka moeten zijn! Made in Japan is bij jou.
Misschien was Made in Japan daarom de enige te verdragen live-elpee voor een puber in een plaats die bestond omdat er scheerapparaten gemaakt worden. Made in Japan schreeuwt je niets toe, hoe hard Ian Gillan ook schreeuwt, het is geen vlucht naar Japan of waar dan ook, het is een reis in muziek.
Een nanoseconde twijfelde ik, toen mijn vingers over de toetsen gleden en ik even John Lord nadeed. Toch weet ik zeker dat ik er niet bij moet zijn en ik weet nu al dat ik er niet bij had moeten zijn. Het doet er niet toe dat ik nu in een stad woon die niet vergeten is door Deep Purple. Het doet er niet toe waar je woont als je weet dat sommige muziek altijd bij je is, en die elpee heet nu eenmaal niet Made in Amsterdam.
Eindelijk weer iets voor de eerste keer
Vanmiddag kwam ik voor het eerst mijn oudste zoon zomaar op straat tegen. Niet in onze buurt, maar elders in de stad. Hij zag me niet naderen, ondanks zijn nieuwe bril. Ik zwaaide en riep, en zo passeerden we elkaar.
Terwijl ik erover nadacht hoe bijzonder het is om op je 49ste eerste-keer-ervaringen te hebben, fietste ik onder de spoorbrug door. Tegen het licht in naderden 4 ganzen in volle vlucht. Drie vlogen rakelings over de brug, de vierde kwam recht op me af, ik dook ineen, de gans knalde met zijn kop tegen de brug, veren vlogen me om de oren en ik voelde de wind van de neerstortende vogel, die vlak naast me op de straat neerkwam.
Ik remde af, keek achter me, met bonkend hart en zag de gans opkrabbelen, de eerste stappen doen met zijn grote oranje flappers. Toen stak het dier de kop in de lucht en begon luid te gakken alsof hij zeggen wilde: welke klootzak zet hier dan ook een spoorbrug neer.
Ik trapte weer door en moest even nadenken, toen wist ik weer dat ik een minuut eerder voor het eerst mijn oudste zoon zomaar ergens op straat tegen was gekomen, en hoe bijzonder dat was.
Op de Nesciobrug ligt een stokbrood
Op de Nesciobrug ligt een stokbrood. Een mooi brood. In de lengte van de brug, precies tussen twee strepen op het asfalt, maar een heel klein beetje scheef. De zon schijnt erop, alsof het nog ligt te bakken.
Ik kan niet zien welke kant het brood op moest, er is geen kop of staart aan te herkennen. En zonder kop en staart heb je geen richting. Misschien moest het brood zelf een brug over het kanaal zijn, denk ik opeens. Misschien moest een kind een stokbrood mee naar huis nemen, voor de woensdagmiddag. Misschien wilde iemand een brood bij een zieke brengen.
Misschien moest ik er dan maar in bijten, als troost voor dat roerloze en zinloze liggen. Maar bij die gedachte hoor ik de stem van mijn moeder die zegt: misschien heeft er wel een hondje overheen geplast.
En zo hangen we, hoog boven het water, precies in het midden, drijvend tussen misschiens, zonder kop en zonder staart.
Dan ga ik toch maar verder.
Dag stokbrood.
Gras maaien
Ik maai het gras met de oude maaier van de buurman. De messen draaien nog heerlijk uit als ik de maaier aan de grasrand staande houd.
Vroeger lag ik al in bed, en hoorde onder me ditzelfde geluid door het open raam en door de avond.
Steeds als het even stil was, haalde eerst ik adem en daarna de grasmaaier, die mijn vader weer achteruit naar zich toe trok.
Als ik dan in slaap gevallen was, begon het gras alweer te groeien en rookte mijn vader waarschijnlijk nog een sigaret.
Over de dijk
Ik zit in mijn werkkamer. Al een tijdje kijk ik over het water naar de oude dijk. Het water is bijna zwart. Het witte kerkje blinkt in de februarizon. Opeens heb ik zin om vanaf daar naar hier te kijken. Sinds ik hier woon, ben ik niet meer daar op het oude land geweest.
Van Schellingwoude loop ik over de dijk naar Durgerdam. Links de stompe, dikke toren van Ransdorp. Rechts het IJmeer. Hier liepen Bavink, Koekenbakker en Dichtertje. Ze zeiden dat het allemaal niet meer is zoals het was, maar ik zie geen verschil. Ja, als ik achter me kijk, dan zie ik verschil. Daar ligt iets, dat konden zij niet zien. Kranen draaien traag en hoog boven nieuwbouw. Nieuwe Bavinks en Dichtertjes moeten hier lopen, zich omdraaien en zeggen dat het niet meer is wat het was. Dan zien ze mijn straat. Nu ja, een straat is het niet, de zandweg die nergens heen gaat. Soms lijkt een diep spoor dat een bulldozer toevallig trekt belangrijker dan het pad waaraan ik tegenwoordig woon.
Aan het einde van het dorp wordt de dijk hoger. Op de kop van de dijk staat een bankje. Ik ga even zitten en kijk over de natte velden. Er komt een brommer de dijk op. Hij stopt. De bestuurder zet zijn helm af, terwijl hij iets naar me roept dat ik niet versta. Het is een oude man, die een strakke spijkerbroek draagt. Té strak, zou ik zeggen, hij is Harry Mulisch niet. Even voel ik ergernis over die spijkerbroek en het feit dat hij me aanspreekt. Hij zal wel weer een oude zeur zijn.
De man duwt de brommer naar me toe. Het is een schitterende, oude Sparta.
Mag je hier over de dijk brommen? Kunt u mij dat vertellen? Hij blijft voor mij staan.
Nee. Brommers horen tegenwoordig op de rijbaan, zeg ik.
Ja, dat meende ik al.
Zijn stem klinkt niet alleen teleurgesteld maar ook wat vermoeid.
Ik meende het al, maar ik wist het niet zo precies meer.
Nu, zo is het.
We kijken allebei wat om ons heen.
Mijn ergernis zakt. Hij heeft een heel zacht, wat droevig gezicht, met talloze scherpe adertjes door zijn huid geweven. Aan zijn neus hangt een heldere druppel.
Het is zo mooi, op de dijk. Ik knik. Daar beneden op de rijbaan hebt u mooi zicht op Waterland, op de natte weides.
Maar bovenop is het mooier. Dan kun je ook over het meer kijken.
Natuurlijk… Wat een schitterende brommer hebt u.
Die heb ik al in 1969 gekocht.
Dan hebt u daar heel goed op gepast.
Ja, ik ben altijd automonteur geweest. Bij de Ford. Allemaal Fords, deed ik.
Vandaar dat uw brommer nog zo mooi en goed is…
Dus het mag niet. Ja, ik weet het soms niet meer. Ik vergeet zoveel, tegenwoordig. Dat is zo erg, hè. Als je het niet altijd meer weet. Soms moet ik er om huilen.
Zijn ogen drijven over de dijk.
Ach’, zeg ik, dat is heel spijtig. Kunt u zich nog wel goed redden?
Ja, dat schakelen en zo, dat gaat nog wel.
Het valt weer even stil. De druppel aan zijn neus valt op de benzinetank.
Ik heb hier altijd veel gereden. Het is zo mooi.
Woont u in Noord?
Ja, zegt hij en kijkt onwillekeurig even achter zich. Maar er is niets dat hij over Noord te vertellen heeft. Ook uit mijn neus komt nu een druppel.
Weet u wat, zeg ik, het is een mooie, rustige, doordeweekse middag. Er is hier geen mens. U gaat toch gewoon lekker met de brommer over de dijk.
Ja, zal ik dat maar doen?
Natuurlijk, geniet ervan.
Ik doe het gewoon maar, hè.
Zijn gezicht plooit zachtjes. Hij start de brommer weer, zet de helm op en groet. Heel lichtjes geeft hij gas. De beentjes in de smalle spijkerbroek bungelen langs de brommer. Met zijn tenen zet hij zich steeds weer even zachtjes af op de weg, alsof hij tegen de wereld wil zeggen dat hij niet echt bromt, daar bovenop de dijk van het oude land.
Laat ons, prevel ik. Laat ons.
In de donkere kamer
Je oog moet verversen, het licht ontelbare keren per seconde doven, anders zou het inbranden. Doven en dan weer aansteken, doven, aansteken. Zo vaak dat we het niet meer kunnen begrijpen en volgen, en de lichtvlekken zich aaneen rijgen tot vloeiende bewegingen.
Het hoefde even nauwelijks, dat verversen. Er was weinig aan te steken en ook weinig te doven. Waarschijnlijk waren mijn pupillen groot, op zoek naar iets om aan te steken. Het was donker en kleurloos om me heen. Iets aansteken mocht helemaal niet. De zolder met het schuine dak was verduisterd door een plaat die met een stok tegen het dakraam was gedrukt. Er was een lamp die een geel-oranje licht gaf, waarmee de kleuren om je heen verdwenen. Je zag de dingen alleen in contouren. Het leek wel wat op oude, sepia foto’s.
Bij het afdrukken van de eerste foto telde ik de personen die erop stonden. Zoveel afdrukken moesten er komen. Plus twee of drie, voor de zekerheid.
Voor de laatste wedstrijd van het voetbalseizoen had mijn vader de teamfoto gemaakt. We zouden kampioen kunnen worden, maar voor de foto wachtten we niet het verloop van de wedstrijd af, omdat we nadien smerige shirts en knieën zouden hebben. Ik had voor het eerst een doelpunt gemaakt, maar toen had mijn vader de camera al lang weer in de tas.
Uit nieuwsgierigheid naar de foto had ik mijn vader gevraagd of hij die avond meteen de film wilde ontwikkelen en of ik dan de volgende middag de afdrukken mocht maken.
Aansteken en dan weer doven. 28 seconden. Ik staarde naar de voorstelling in negatief die het papier bescheen. Niemand was herkenbaar. Negers leken we niet. Er woonde er een vlak achter ons, die geadopteerd was. Die zag er toch anders uit. De gezichten waren uit grove vlekken opgebouwd waarbij het soms leek dat wat naar voren zou moeten komen, juist inviel, of andersom. Alsof je in zo’n plastic fopneus keek. Soms kon iemand opeens ook op iemand anders lijken. En soms ook leek het een beetje op de bewerkte portretten die de laatste jaren op de hoezen van LP’s stonden.
Na de 28 tellen doofde het licht en ging het papier het ontwikkelbad in. Ik schommelde het, om de chemicaliën over het papier te laten vloeien. Het beeld moest omhoog komen als een orka snakkend naar adem. Op het wit van het papier begonnen vale grijzen te verschijnen, alsof je je iets weer begint te herinneren. Het grijs werd donkerder. Eerst de broekjes, de kousen en schoenen, dan de haren van de wat donkerder jongens. Het leek ook op het wegblazen van stof dat ergens op lag, maar de foto was nieuw, er kon geen stof zijn, alleen het moment dat teruggeroepen werd, kon bestoft zijn, maar zelfs dat was nog maar een etmaal geleden.
De zure geur uit de baden doordrenkte de ruimte. Het was warm op zolder. Het grijs kwam door de warmte rap uit het papier, het werd snel verzadigd zwart, alsof het moment haast had. Maar haast was niet nodig, het was geweest. Misschien had het dan haast om niet vergeten te worden.
Toen het zwart goed zwart was en het wit nog steeds wit, was het tijd voor het stopbad. Enkele tellen was genoeg. Daarna moest de foto een minuut of vijf in het fixeer liggen. Het beeld werd zo beschermd tegen licht en daarmee tegen tijd. De foto zou niet geel worden en ook konden de donkere vlakken niet als het ware weg gevreten worden. De foto was dan voor altijd, zolang je er maar zuinig op was. Hoeveel van de veertien mensen op de foto zouden die nu nog hebben?
14 plus 2 keer 28 seconden lang belichten, ontwikkelen, stoppen, fixeren. Aansteken, doven.
Buiten klonken stemmen van spelende kinderen. Wat werd het warm. De lucht stond zo stil. Beneden ging de deurbel. Wie zou het zijn? Daar kwam het grijs alweer. Ik zag mezelf terugkeren, steeds in dezelfde scherf van een seconde. Verversen in het donker ging niet meer. Ik stond stil in die 250ste van een tel, niets brandde in en niets werd beweging, maar de belichtingstijd telde zijn tellen en de middag verstreek, de voordeur ging weer dicht. Iemand ging naar buiten.
Ik zag de jongens 16 maal sproeten krijgen, een plooi van een lach rond de mond vormen, een gat dat 16 maal in een shirt kwam. En nooit eens niet. Ik vroeg me niet af wat de jongens op de foto die middag aan het doen waren terwijl ik naar ze keek.
Hoe vaak die details toen ook voor mijn ogen verschenen, ik weet al lang niet meer hoe de jongens heetten. Ik weet niet meer hoe ze heten, op twee na. En ik denk nog wel eens aan een van hen.
Een paar jaar nadat de foto gemaakt was, kwam ik nog wel eens bij hem thuis. Later liepen we elkaar heel soms tegen het lijf in de stad waar we beiden studeerden. We spraken dan kort met elkaar. Ik herinner mij een keer dat het erg warm was en hij zwarte rubber laarzen droeg.
Niet lang geleden kwam ik ook zijn broer weer tegen. Het stomme toeval neemt ons heel soms tegelijkertijd mee naar dezelfde plek.
Hoe is het met Willem?, vroeg ik.
De broer was een tel stil en zei toen: Willem leeft niet meer. Hij heeft zelfmoord gepleegd. Drie jaar geleden.
Ik ben zuinig geweest op de foto. Na al die jaren zie ik die nog wel eens. Ik kan me het moment van de opname niet meer herinneren. Ik zie mezelf niet meer gehurkt tussen de andere jongens naar mijn vader kijken, maar zie alleen wat mijn vader door de lens zag en dat dan in zwart wit. Want wanneer ik de foto zie, dan denk ik aan die zondagmiddag dat ik op de duistere zolder het korte moment van een dag eerder aan het wassen was in trage wals: licht- ontwikkel-stop-vast, licht-ontwikkel-stop-vast. Steeds maar weer, alsof op zolder de tijd in lome kringeltjes ronddanste. Maar als ik dan naar de gedaante kijk van die ene jongen die een naam heeft; zijn wat scheve grimas en een veel te kort broekje, dan weet ik dat die magische, duistere, eindeloze herhaling van handelingen en de dompeling in stopbad en fixeer niemand heeft kunnen behoeden.